Zeventig keer verboden toegang; Vlaams naturalisme van Erik Vlaminck

Erik Vlaminck: Wolven huilen. Uitg. Wereldbibliotheek, 154 blz. Prijs ƒ29,50.

In de proloog van zijn tweede roman Wolven huilen vertelt Erik Vlaminck hoe zijn grootmoeder hem op haar sterfbed een lijst gaf van mensen die een doodsbrief moesten krijgen. Daarbij zit een hem volslagen onbekend Canadees adres. Het blijkt een halfbroer van de grootmoeder te zijn die na de oorlog naar Canada is gevlucht, om aan de dorpsterreur te ontkomen. Hij had zich in de hele omgeving onsympathiek gemaakt als woekeraar, en had vervolgens ook nogal wat mensen verraden. Erik Vlaminck gaat deze Alfons Huybrechts, en zijn vrouw Liza Schrijvers, opzoeken en reconstrueert hun levens, mede aan de hand van brieven, kranteknipsels en getuigenissen van tachtig-plussers uit hun dorp van herkomst.

Het resultaat is een droog geschreven documentaire roman, een verhaal van oorlog en hoe die nooit overgaat. Je kunt ervoor naar Canada vluchten, maar je blijft op de vlucht. Fons woont daar in het midden van niets, op een eigendom waar hij zeventig bordjes met 'No trespassing' heeft aangebracht. Vlaminck tekent erbij aan: “Hij zegt dikwijls: 'Ik zou niet willen dat ze mij in een kamp steken.' Hij heeft zichzelf in een kamp gestoken. En haar erbij.”

Dit relaas over twee oninteressante mensen is een prachtig boekje geworden. Vlaminck gebruikt geen woord te veel, hij laat de feiten voor zichzelf spreken, hij arrangeert zijn 'objectiviteit' uiterst kundig en hij ontroert door zich vrijwel van commentaar te onthouden. Is hij daarmee de zoveelste nieuwe beoefenaar van Vlaams naturalisme?

Vlaminck beoefent vooral subtiliteit. In het eerste hoofdstukje kweekt Fons fazanten. Hij behandelt ze schofterig. Rotvogels, scheldt hij. Een bladzijde later komt hij zijn huis binnen. Zijn vrouw roept iets. Slotregel van het hoofdstukje: 'Rotwijf.' Het werkt als een eindrijm in een gedicht.

Vlaminck is beheerst cynisch. Fons maakt zijn paar duizend fazanten blind, anders zijn ze te lastig in hun te kleine kooi. “Het eerste werk is al die rotvogels blind te maken. Dat kan niet vroeg genoeg gebeuren. Fons gebruikt de soldeerbout om zijn fazantekuikens blind te maken. 'Fazanten solderen, dat is een stiel,' zegt hij altijd.”

Vlaminck is een meester van het detail. De piepjonge Liza, die van kleins af aan moet werken in het café van haar vader, is zwanger. “Ze zaten aan tafel toen ze het haar vader vertelde. 'Ik ben in verwachting.' En haar vader legde zijn vork neer. En hij at zijn mond leeg. Worst en savooien. En hij keek haar lang en zwijgend aan. En toen zei hij: 'Godverdomme'.”

Worst en savooien: Vlaminck laat het zich ontvallen met de timing van een beroepscabaretier. Later sterft die vader op de WC, want Vlaminck heeft ook een goed oog voor de banaliteit van het noodlot, voor de platvloersheid van tragiek - en hij heeft daar ook stevige volksspreuken bij. De dokter die erbij wordt geroepen zegt: “Het hart. Dan sterft ge voor ze het licht uitdoen. En dat zoiets wel meer op het gemak voorkomt. Door het wringen en persen dat een mens daar moet doen.”

In het voorbijgaan beheerst hij ook nog de kunst van de snelle psychologie: “Achteraf kreeg Liza zowel van de familie als van buren felicitaties voor de manier waarop ze alles georganiseerd had. En daar was ze blij om. Toen pas weende ze.” Je zou kunnen zeggen dat Vlamincks zinnen even lapidair en hard en kortaf zijn tegen elkaar als de mensen over wie hij het heeft. Zo wordt Liza na de oorlog kaalgeschoren, alleen maar omdat ze het lief was van Fons. “Liza liet geen traan. Ze plaste in haar broek.”

Deze droge toon leidt er niet alleen toe dat Vlaminck niet ongeestig is. Humor is eigenlijk een oneerbiedige vorm van alles zien, ook ongewenste tegenstrijdigheden. Maar de droge, afstandelijke toon ontroert ook. De slotregels van de roman zijn daar een prachtig voorbeeld van, maar die verklap ik niet. Beter kan ik het afscheid citeren dat Vlaminck neemt van zijn Canadese collaborateursfamilie. Fons vraagt of Vlamincks grootmoeder, zijn halfzus, gelukkig is geweest.

“'Ik weet het niet,' zei ik. 'Heeft ze veel afgezien voor ze stierf?' 'Ik denk het wel.' 'Ik heb ook veel afgezien,' was het laatste wat hij me zei. Hij draaide zich om en ging de kamer uit. Zonder dat ik zijn gezicht nog zag, stak hij even de hand omhoog. Zijn afscheidsgroet. 'Hij zal u missen,' zei Liza. 'Ik jullie ook.' 'Dat zou verkeerd zijn. Vooruit, ga nu maar.”

Dat is mede ontroerend omdat beide echtelieden, komend uit de Vlaamse oorlog, ook in hun huwelijk alleen maar oorlog hebben gevoerd. Heel subtiel echter geeft Vlaminck aan hoe ze tegen het eind van hun leven toch geduldiger met elkaar worden. Liza zegt bijvoorbeeld: 'Hij zal u missen.' En niet: ik.

Even subtiel bewerkt Vlaminck ook bij de lezer een ommekeer in de antipathie. Aanvankelijk sympathiseer je met Fons' politiek correcte halfbroer Leon van Riel. Die blijkt op het einde een minstens even groot varken geweest te zijn.

Eigenlijk is Wolven huilen een oorlogsroman, over een oorlog van vijftig jaar geleden, die er nooit in zal slagen helemaal voorbij te zijn. Dit kleine Vlaams-Canadese familiekroniekje heeft me voortdurend doen denken aan ex-Joegoslavië. Ook daar wordt nu nog altijd de vorige wereldoorlog uitgevochten. Daar worden een paar miljoen littekens bijgemaakt voor de eerstvolgende tweehonderd jaar. Wat Vlaminck doet is minutieus twee zulke littekens beschrijven.