Wie mooi zingt wil ik knuffelen; Operazangeres Mirella Freni over Luciano, Maria, Aida en maestro Karajan

Een diva voor het grote publiek is de veelgeprezen sopraan Mirella Freni nooit geworden. Misschien omdat ze nooit iets anders dan opera heeft gezongen, misschien omdat ze met haar wipneus en verbaasde blik niet oogde als een tragische heldin. Een gesprek met Freni over veertig jaar zingen. “De vroege Verdi past niet bij mijn stem, te veel ta-ta-ta-ta-tà.”

Recente opnamen met Mirella Freni: Verismo Arias (Decca, 433 316-2); Puccini: Tosca (Deutsche Grammophon, 431 775-2), Manon Lescaut (Decca, 440 200-2) en Il Trittico (Decca, 436 261-2)

Mijn idool blijkt een hartelijke vrouw, een kleine Italiaanse met grote bruine ogen en heel blond, opgestoken haar. Ze ziet er jaren jonger uit dan haar leeftijd, waarvan ze in tegenstelling tot de meeste diva's geen geheim maakt: “Ik ben negenenvijftig! Ik kan het niet geloven.” Om de twee zinnen barst ze uit in een schaterende lach. Het is nog niet helemaal tot mij doorgedrongen dat ik nu eindelijk werkelijk naast haar zit, de zangeres met de stem die ik sinds een jaar of twee toch wel iedere dag gehoord heb. Mirella Freni ratelt vrolijk verder over haar hartstocht. Espressomachines. Haar carrière duurt nu al bijna veertig jaar, zegt ze, en het zingen is ze nog niet moe, maar het hotelleven wel. Hier in Londen, waar ze in Covent Garden de titelrol zingt in Giordano's Fedora, zijn ze dan ook zo vriendelijk geweest dit appartement voor haar te huren. Het eerste wat ze gedaan heeft is de espressomachine laten ophalen, die haar man, de Bulgaarse bas Nicolai Ghiaurov, hier twee jaar geleden tijdens een serie voorstellingen van Jevgeni Onegin heeft aangeschaft. Het systeem werkt perfect: vrienden en kennissen over de hele wereld bewaren de apparaten voor het zingende echtpaar. De koffie zelf wordt eigenhandig geïmporteerd uit Modena, Freni's geboorte- en woonplaats. “Of je het gelooft of niet, koffie die in Modena wordt gebrand, van welk merk dan ook, heeft een lagere zuurgraad dan die in welke andere Italiaanse plaats dan ook. Echt waar.”

Modena blijkt ook in andere opzichten ideaal. Uit haar verhalen over het stadje rijst een idylle op, een heel erg Italiaanse idylle: de sopraan groeide er op, leerde daar meezingen met opera op de radio, debuteerde er als zangeres. Haar hele familie woont er nog, net als die van Luciano Pavarotti, met wie ze samen een oppas deelde. “Wij hebben zoiets als een broer-zus verhouding. We kunnen ontzettend veel plezier hebben, zeker als we iets komisch doen, zoals Donizetti's L'Elisir d'Amore. Onze stemmen passen goed bij elkaar, er gebeurt iets wanneer wij samen zingen. We bemoeien ons voortdurend met elkaar, maken ook altijd ruzie als broer en zus. Nee, het is helemaal niet vervelend om na dertig jaar nog altijd samen Mimi en Rodolfo in La Bohème te zingen. Het is zalig.”

Nepkolen

Mirella Freni ís opera. We zitten op een veel te zacht Engels bankje in een mosgroen behangen kamer, met nepkolen in de open haard en verschoten jachttaferelen aan de muren, maar ons gesprek verplaatst zich al snel naar een andere wereld. Het is een operawereld vol mythische en fictieve figuren, waarin Mimi, Aida, Fedora, Adriana en Manon even levend blijken te zijn als Placido, José, Luciano, maestro Karajan. En niet te vergeten Maria.

“Toen ik in 1955 in Modena debuteerde, als een heel jonge Micaela in Carmen, had je al die grote stemmen. Callas, Tebaldi, Sutherland. Ik was een lyrische sopraan met een mooi maar bescheiden geluid. Naar die zangeressen keek ik op alsof ze de madonna zelf waren! Ik heb enorm veel geleerd door naar hen te luisteren en te kijken. Maar je kunt zeggen dat ik mijn tijd heb afgewacht. Ik kan goed nee zeggen. Vaakis de verleiding heel groot om iets wel te zingen, maar ik denk echt dat ik mijn stem heb gered door mijn hele leven voorzichtig te zijn. Hoezeer een dirigent als Karajan ook aandrong. Als het aan hem had gelegen was ik Turandot gaan zingen. Nu heb ik mijn stem nog om alles wat ik aan dramatische expressie heb geleerd op het podium te laten horen. “Wanneer het seizoen afgelopen is, zing ik geen noot meer. Dan ga ik met Nicolai terug naar Modena en doe ik een paar maanden helemaal niets, ik studeer niet, ben alleen moeder en grootmoeder. Het leven van een operazangeres kan zenuwslopend zijn, maar prima donna ben ik alleen wanneer ik op de planken sta, niet thuis. Dat heb ik altijd gehad, ik kan als het ware de knop omdraaien. Wat eigenlijk wel vreemd is, want de opera is mijn hele leven. Toen ik vijf was luisterde ik ademloos naar een plaat van Toti dal Monte die Lucia di Lammermoor zong, daar kon ik toen al helemaal in opgaan. Zo is het nog steeds. Ik houd veel van klassieke muziek, zelfs van sommige popmuziek, maar opera is, hoe zeg je dat, completer. Als iemand werkelijk mooi zingt, dan gebeurt er iets met me. Dan word ik zo blij, dan wil ik hem of haar meteen gaan knuffelen.”

Ik heb ergens een foto uit 1967 gezien, zeg ik, van een heel jonge Freni en Maria Callas, met de filmregisseur Visconti tussen hen in. “Maria was altijd aardig voor mij. Toen ik La Traviata in Covent Garden zong, geregisseerd door Visconti, die een vriend van haar was, kwam ze naar de première. Ze was in Londen met Onassis, iets met schepen of zo. Daarna belden we elkaar regelmatig. Ik zal nooit vergeten dat ik ergens in de jaren zeventig in Parijs La Bohème zong. Nèt toen ik uit mijn hotel wilde vertrekken, mijn koffers stonden al in de lobby, ging de telefoon. Maria. Ze was net terug uit New York. 'Mirella,' zei ze, 'ik heb gehoord van je succes hier. Kom vanmiddag lunchen.' Ik zei: 'O, het spijt me, Maria, maar ik moet nu meteen vertrekken.' 'Laat me weten waar je bent,' zei Maria. Ik dacht toen, de grote Maria Callas vraagt mij om mijn reisschema! Heel kort daarna las ik in Wenen in de krant dat Maria was overleden. Ik heb me altijd een beetje schuldig gevoeld, dat ik haar toen niet heb opgezocht.”

Nooit, nooit, nooit

Wat er in de loop van veertig jaar met Freni's stem gebeurde, is een wonder. In de jaren zeventig waagde ze zich, aangespoord door Herbert von Karajan, aan het dramatische repertoire: Verdi. Onder hem zong ze met onverwacht succes Verdi's Requiem, Desdemona in Otello, Elisabetta in Don Carlos en de titelrol in Aida. In het begin van de jaren tachtig ging ze nog verder en voegde de zware sopraanpartijen in La Forza del Destino en Ernani aan haar repertoire toe. Ik vraag haar of ze in het begin van haar carrière had verwacht dat ze nog eens een beroemde Aida zou worden.

“Nooit, nooit, nooit. Aanvankelijk durfde ik helemaal niet, ik dacht dat die rollen eenvoudig buiten mijn bereik lagen. Maar door de jaren heen heb ik voorzichtig mijn mogelijkheden vergroot, zonder mijn stem te forceren. Daardoor is die niet te veel veranderd. Ik kan nu nog de eerste rollen uit mijn repertoire zingen. Ik ben de maestro heel dankbaar, want zonder hem zou ik nog steeds alleen maar Mimi, Micaela en Nanetta hebben gezongen. Maar alles wat ik niet aankon, heb ik meteen laten vallen. Zoals Verdi's Ernani. De vroege Verdi past niet bij mijn stem, te veel ta-ta-ta-ta-tà. Mijn kracht is de vloeiende lijn, het legato. Na mijn eerste voorstellingen als Elvira in de Scala, werd ik bang dat ik mijn stem zou beschadigen. Ik dacht, hoor eens, ik sta bekend om mijn espressione, mijn grote legato, dat wil ik niet kwijtraken. Ik heb meteen naar Chicago gebeld, waar ik een contract had voor nog een Ernani. Ik zei: 'Jongens, jullie hebben nog tijd genoeg om een andere sopraan te vinden. Basta.' Je moet eerlijk zijn tegen jezelf wat de mogelijkheden van je stem betreft. Butterfly en Tosca heb ik ook nooit op het podium gezongen.”

Toch heeft ze zich gaandeweg tot een steeds zwaarder repertoire laten verleiden. Ze heeft niet altijd nee gezegd. “Met maestro Karajan had ik iets dat ik daarna nooit meer met een andere dirigent heb gehad, hoe goed en inspirerend ze vaak ook zijn. Kleiber, Abbado, Ozawa, Levine en nog een paar anderen, ze zijn stuk voor stuk bijzondere mensen, maar met Karajan was het iets heel ongrijpbaars. Ik wist altijd wat hij wilde, al werd er geen woord gezegd. Hier piano, daar legato, ik voelde wat hij wilde, ook al kon ik hem niet zien vanaf mijn plaats op het podium. Dat was al zo vanaf het begin, in 1963, toen ik was aangenomen om Mimi te zingen in de Scala, in een produktie van Zefirelli.

“Karajan had mij nog nooit horen zingen, ik was gecontracteerd op advies van vrienden van hem. Hij kwam de zaal binnen, wierp een blik op mij en zei: ze ziet er in ieder geval uit als Mimi. Toen was ik namelijk heel slank. Hij vroeg of ik mee wilde gaan naar zijn kleedkamer en ik dacht, God, nu krijgen we alsnog de auditie! Hij slaat de partituur open in de laatste akte en vroeg me een stuk te zingen. Niet 'Si, mi chiamano Mimi' of al die andere bekende stukken, maar de laatste akte. Dat had hij goed begrepen, want de sleutel tot het karakter van Mimi ligt in de slotakte, als ze terugkomt naar Rodolfo en langzaam sterft. Vandaaruit moet je aan je interpretatie werken. Ze is een heel simpel meisje, maar met een ongelofelijk sterk karakter, en dat blijkt pas helemaal aan het eind. Na een paar minuten klapte Karajan in zijn handen en zei, oké. We begrepen elkaar als vanzelf, dat was heel vreemd. Maar Turandot heb ik nooit gezongen, hoe graag hij dat ook wilde.”

Freni is vanaf het begin van haar carrière een geliefde en veelgeprezen sopraan geweest - tot op de dag van vandaag zingt ze met alle grote tenoren in alle grote operahuizen - maar op de een of andere manier is haar altijd de status van wereldberoemde operadiva bij het grote publiek onthouden. Misschien omdat ze nooit iets anders dan opera heeft gezongen, misschien omdat ze lange tijd als een onschuldig en wat naïef kipje oogde. Grote verbaasde ogen en een wipneusje: de ideale Mimi en Micaela, onschuldige, lieftallige slachtoffers, maar geen tragische operaheldin. Verismo

Die reputatie is ten onrechte, want op een leeftijd waarop de meeste zangeressen van haar generatie het rustiger aan gingen doen, ontwikkelde Freni zich tot de grootste sopraan in het verismo-genre: Puccini, Cilea, Giordano, Mascagni. Op het podium is Freni nooit een indrukwekkende verschijning geweest, maar ze laat niettemin na ieder optreden een onuitwisbare indruk achter: deze zangeres acteert in de eerste plaats met haar stem.

De meeste opera's van Puccini heeft ze tweemaal op de plaat gezet en in alle gevallen is de latere versie qua interpretatie superieur; haar vorig jaar uitgebrachte opname van Puccini's vroege meesterwerk Manon Lescaut met Pavarotti onder James Levine is een hoogtepunt. Haar stem klinkt onmiskenbaar minder fris, vast en soepel dan in de eerdere opname onder Giuseppe Sinopoli, die ze rond haar vijftigste maakte, maar ook dieper, hartstochtelijker, meer doorleefd. En haar interpretatie van de rol is ongeëvenaard - met uitzondering van Callas. Van een naïef meisje verandert ze in een hooghartige courtisane, om vervolgens in de laatste akte als een klauwend wild dier in de woestijn van Louisiana te sterven. Freni schreeuwt het uit; maar waar andere sopranen vaak terugvallen in onmachtig melodrama, weet Freni haar Manon volstrekt menselijk te maken. Haar late Madama Butterfly, onder Sinopoli, is hartverscheurend. En ook op haar nieuwste opname, Puccini's Il Trittico, bezorgt ze me als Suor Angelica, een ontredderde non die haar kindje verloren heeft, opnieuw kippevel. En dat zonder ook maar één noot lelijk te zingen. Ik vraag haar hoe ze dat voor elkaar krijgt.

Ze moet opnieuw hard lachen. “Toen ik die partij voor de eerste keer opnam, had ik Manon nog maar een paar maanden op mijn repertoire. Dan weet je nog niet hoe ver je kunt gaan. Je bent voorzichtig, denkt aan je techniek, wilt je stem niet forceren. Later hoef je daar niet meer bang voor te zijn, dan kun je direct zijn in je emoties, zonder na te denken.

“Ik zoek altijd naar wat mijn personages menselijk maakt. Je moet zoeken naar de lijn, de spanningsboog in de opera, de ontwikkeling die Fedora of Manon doormaken binnen die anderhalf, twee uur. Manon Lescaut kun je niet zingen als een prima donna, iedere noot zo mooi mogelijk, dat is voor belcanto-rollen. Als sopraan in een spinto-rol zoek je naar sfeer, de juiste kleur, details in het libretto die een opening naar de gevoelens van je personage bieden. Adriana Lecouvreur van Cilea en Fedora van Giordano staan als opera's niet hoog aangeschreven, maar mensen die me in die rollen gezien hebben, zeggen: dit is een heel andere opera! De Fedora in de derde akte is voor mij ook een andere vrouw dan in de eerste. Ze heeft dan werkelijk ervaren wat het is om van iemand te houden.”

Hartstilstand

Freni onderbreekt zichzelf. Het espresso-apparaat wordt opnieuw gedemonstreerd. Ze doet een beetje geheimzinnig over de toekomst, maar al snel wordt duidelijk dat ze maar liefst twee nieuwe rollen op het oog heeft; van een afscheid is geen sprake. Bij mijn binnenkomst heeft ze wat diva-achtige geluiden laten horen over hoe ze na de voorstelling van Fedora gisteravond niet in slaap kon komen. Ze was doodmoe en zag vreselijk op tegen de master class die ze die avond zal geven, dus met ons interview zou het wel helemaal niets worden, maar nu straalt ze een en al energie uit. De koffie bezorgt me nog net geen hartstilstand.

“Ik was wel verrast dat me gevraagd werd de Puccini-opera's voor een tweede keer op te nemen. Manon, Tosca, Butterfly. Ik wilde iets anders doen, mezelf niet herhalen. Toen ik die rollen voor het eerst zong, had ik wel een stem, maar de emoties, de pijn en het verdriet van die personages verzon ik er maar zo'n beetje bij. Wist ik veel, ik had nog niets beleefd. Nu wel. Nu weet ik wat ze voelen.” Een schaterlach.

Ook om haar heen is het een en ander veranderd, merk ik op. In 1963 zong ze Nanetta in Falstaff onder Giulini in het Holland Festival. De operawereld moet er toen heel anders uitgezien hebben. “Ja, met Luigi Alva, was het niet? En Fernando Corena. Mijn God, wat is dat lang geleden. Mijn dochter was toen zeven jaar, ik had altijd een foto van haar bij me. Nu is ze achtendertig, met een dochter van veertien en ik zing nog steeds over de hele wereld. Maar ook in die tijd klaagde iedereen trouwens al dat het met de opera bergafwaarts ging, hoor. Ik denk wel dat opera tegenwoordig onbetaalbaar dreigt te worden. Het moet allemaal eenvoudiger, minder groots. De Adriana Lecouvreur die ik een paar maanden geleden in de Bastille in Parijs heb gezongen is een mooi voorbeeld. Er stond bijna niets op het toneel, maar het was effectief en het zag er mooi uit.

“En niemand kan ontkennen dat er veel jonge zangers met prachtige stemmen zijn. Al moet ik bekennen dat ik ze vaak nogal synthetisch vind klinken. Nylon. Dan denk ik, wat een prachtige stem, maar als ik later op straat sta, heeft die geen enkele indruk achtergelaten. Nee, dat heeft niets te maken met dat ze van de ene opera naar de andere moeten vliegen. Ik heb mijn hele leven rondgevlogen. Het heeft wel te maken met hoe je je opstelt tegenover de operatraditie, denk ik. Fedora in La Scala vorig jaar werd gedirigeerd door maestro Gavazzeni. Die is nu vierentachtig, vijfentachtig. Hij heeft Giordano nog goed gekend. Bij zo'n man voel ik me heel nederig, van hem heb ik werkelijk veel kunnen leren over mijn rol. Nuances, details. Je kunt niet klakkeloos zeggen, dat is geweest, we doen net alsof dat allemaal niet heeft bestaan.”