Voor bestrijding vrouwenhandel weinig aandacht

DEN HAAG, 24 JUNI. Politie en justitie hebben te weinig aandacht voor de bestrijding van vrouwenhandel. Politiemensen hebben vaak nauwelijks zicht op wat zich in het prostitutiecircuit afspeelt. Als vrouwenhandel aan het licht komt berust dat meestal op toeval.

Dat concludeert het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen van de Rijksuniversiteit Utrecht, dat op verzoek van de vergadering van procureurs-generaal (PG's) onderzoek heeft gedaan naar het onderwerp. Het rapport werd vanmorgen aangeboden aan de PG in Den Haag, mr. W. Sorgdrager.

De richtlijnen die de PG's in 1989 hebben opgesteld voor de bestrijding van vrouwenhandel hebben in vijf jaar tijd niets veranderd, zo concluderen de onderzoekers. Van een landelijk uniforme aanpak van het probleem, zoals de PG's destijds voor ogen hadden, is geen sprake. Eén van de richtlijnen, het werken in een vast team voor het opbouwen van contacten en het uitvoeren van controles in het prostitutiecircuit, is slechts bij enkele politiekorpsen in grote gemeenten uitgevoerd. Politiekorpsen beroepen zich op een tekort aan personeel, zo blijkt uit interviews met betrokkenen. Bovendien heeft de bestrijding van vrouwenhandel geen hoge prioriteit. Slechts een kleine groep politiemensen is goed geïnformeerd over het onderwerp. De meesten hebben het idee dat vrouwenhandel in de regio nauwelijks voorkomt.

Tussen de praktijk van de vrouwenhandel en de opsporing van de strafbare feiten gaapt volgens de onderzoekers een kloof omdat slachtoffers geen aangifte durven te doen. Zij hebben geen vertrouwen in de politie - meestal wegens slechte ervaringen met de politie in het land van herkomst - en zijn bang voor uitzetting door de vreemdelingenpolitie. Bovendien vrezen zij represailles van vrouwenhandelaren. De politie komt in de praktijk alleen in actie nadat aangifte is gedaan. De onderzoekers vinden dat er een landelijk vrouwenhandelteam moet komen. Verder moeten de korpsen een aparte coördinator aanstellen.

Steeds meer buitenlandse vrouwen worden onder valse voorwendselen naar Nederland gelokt om vervolgens gedwongen in de prostitutie te gaan werken. Hoe groot de aantallen daders en slachtoffers zijn is niet bekend. Tussen 1982 en 1992 werden in Nederland zestig strafzaken geregistreerd, waarbij 141 verdachten waren betrokken. Bijna de helft van de zaken speelde zich af in de arrondissementen Amsterdam en Den Haag. In de periode tussen 1984 en 1992 werden 362 meldingen gedaan bij de Stichting tegen Vrouwenhandel. De Vereniging van Exploitanten van Relaxbedrijven (VER) schat het aantal slachtoffers op enkele honderden per jaar.

Tot enkele jaren geleden ging het vooral om vrouwen uit Colombia, de Dominicaanse Republiek, de Filippijnen en Thailand. Inmiddels heeft de markt zich in steeds meer verlegd naar Oost-Europa. De VER heeft gesignaleerd dat de Oosteuropese mafia in toenemende mate greep krijgt op de Nederlandse seksbedrijven. Dat beeld wordt bevestigd door de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI), die zelf overigens niet over cijfers beschikt.

Procureur-generaal Sorgdrager zei vanmorgen in een reactie op het rapport dat “randverschijnselen van de georganiseerde misdaad, zoals milieucriminaliteit en vrouwenhandel, in het algemeen te weinig aandacht krijgen. Georganiseerde criminaliteit is meer dan alleen de handel in verdovende middelen”, aldus Sorgdrager. Zij zei zich zorgen te maken over het feit dat de PG-richtlijnen geen invloed hebben gehad op het beleid bij politie en het openbaar ministerie. “Het komt helaas vaker voor.” Sorgdrager kondigde aan dat er onderzoek zal worden gedaan naar de oorzaken daarvan.