Vereniging trekt vooral jonge generatie ontevreden vrouwen

De Nederlandse vereniging voor vrouwenbelangen, vrouwenarbeid en gelijk staatsburgerschap, vierde gisteren in aanwezigheid van koningin Beatrix in Den Haag het honderdjarig bestaan.

DEN HAAG 24 JUNI. Ze is er nóg verontwaardigd over. Het idee was zo leuk: met haar moeder met vakantie naar Israel, begin jaren vijftig. C.E. (Hanske) Evenhuis had een paspoort voor Europa, maar moest om papieren voor Israel aan te vragen eerst toestemming hebben van haar echtgenoot.

“Omdat vrouwen in die tijd nog handelingsonbekwaam waren. Ik was wel goed genoeg om drie kinderen op de wereld te zetten maar kon niet zonder toestemming van mijn man aan de nodige papieren komen.” Diep beledigd besloot ze niet mee te gaan naar Israel. Kort daarop gaf Evenhuis zich op als lid van de Nederlandse vereniging voor vrouwenbelangen, vrouwenarbeid en gelijk staatsburgerschap. “Mijn ogen waren in één klap geopend.”

Wat ze zag was een samenleving waarin vrouwen weliswaar hun stem mochten uitbrengen, maar die voor het overige op tal van terreinen in een achtergestelde positie verkeerden. De handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw werd in 1956 opgeheven, maar er bleven genoeg zaken over die voor vrouwen bevochten moesten worden: toegang tot de arbeidsmarkt, gelijke beloning voor gelijk werk, gelijke pensioenrechten, het doorbreken van het traditionele rolpatroon.

In de eerste decennia van het bestaan richtten de activiteiten van Vrouwenbelangen zich vooral op het verkijgen van het vrouwenkiesrecht. Ze heette toen nog Vereniging voor VrouwenKiesrecht en telde onder haar leden bekende vrouwen als Aletta Jacobs. Daarnaast werd aandacht besteed aan vrouwenarbeid en aan de ongelijke rechtspositie van vrouwen. Door hun omgeving werden de feministes van het eerste uur met wantrouwen gadegeslagen. Zo vond SDAP-voorman P.J. Troelstra dat je het kiesrecht beter aan “den eersten den besten baliekluiver” kon geven dan aan vrouwen.

Plaatselijke afdelingen hadden in die beginjaren de grootste moeite een bestuur te vormen. Marie Rutgers-Hoitsema bijvoorbeeld trok zich terug voor een bestuursfunctie omdat ze bang was voor de reactie van haar familieleden “die toch al vonden dat ik zo veranderd was (...). Mijn intiemste vriendin heeft mij de vriendschap al opgezegd.” Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verschafte Vrouwenbelangen een nieuw argument voor invoering van het vrouwenkiesrecht. “De door de mannen opgebouwde Staat is gebleken een groote mislukking te zijn. (...) Eerst als in alle landen de vrouwen in 's lands vergaderzalen meespreken, zullen oorlogen als wij nu beleven, tot het verleden gaan behooren”, aldus Aletta Jacobs in september 1914. De strijd om het fel begeerde stembiljet werd vijf jaar later in het voordeel van vrouwen beslecht.

Omdat het kiesrecht voor vrouwen niet de grote veranderingen opleverde die verwacht waren, taande in de jaren twintig de interesse voor de vrouwenstrijd. In de jaren dertig echter herleefde de belangstelling die zich nu op arbeid richtte. Vrouwenbelangen voerde acties tegen het 'Voorontwerp van wet houdende beperkende bepalingen inzake arbeid van gehuwde vrouwen'. De rooms-katholieke minister Romme personifieerde de weerzin die bij een deel van de bevolking bestond tegen de buitenshuis werkende gehuwde vrouw. “Het ontslag van huwende ambtenaressen zou een premie stellen op het celibaat en dat kon toch de bedoeling van de wetgever niet zijn”, aldus Vrouwenbelangen. Het zou tot ver in de jaren vijftig duren voordat het verbod op arbeid voor de gehuwde ambtenares werd opgeheven.

Van stonde af aan richtte Vrouwenbelangen zich op het parlementair-politieke bedrijf. Hanske Evenhuis, van 1971 tot 1978 voorzitster: “Het is waar dat het Binnenhof niet het centrum van de wereld is maar wetgeving is daarom zo belangrijk omdat je je erop kunt beroepen.” Ook wilde de vereniging niet partijgebonden zijn, maar dwars door de zuilen heen opereren. Honderd jaar na de oprichting is de achterban, 1.400 leden, nog steeds gemêleerd: vrouwen van christelijken, socialistischen en liberalen huize die nog steeds streven naar gelijke berechtiging.

Evenhuis werd voorzitster in een turbulente tijd. Man Vrouw Maatschappij, Dolle Mina, Wij Vrouwen Eisen: de tweede feministische golf spoelde over Nederland. Die golf ging gepaard met ludieke acties, felle debatten en steeds terugkerende demonstraties voor het recht op vrije abortus. Evenhuis: “Er kwam een nieuwe generatie vrouwen aan. Ik geloof dat ze ons wel een beetje oudbakken vonden maar dat heeft de samenwerking nooit in de weg gestaan.”

Vrouwenbelangen maakte in de afgelopen decennia een gedaantewisseling door. Meldden zich in het verleden vooral vrouwen van middelbare leeftijd aan als lid, de laatste jaren zijn het vaak vrouwen van onder de dertig. Volgens de huidige voorzitster, drs. J. Huisman, wordt die nieuwe aanwas gedreven door “ongenoegen over de nog steeds heersende rolpatronen”. Het combineren van een baan buitenshuis met een man en kinderen betekent voor veel vrouwen nog steeds dat ze “moeten inleveren”. Besluiten ze in deeltijd te gaan werken, dan merken ze bijvoorbeeld dat promotiekansen nihil zijn. “Economische onafhankelijkheid voor vrouwen is nog steeds niet vanzelfsprekend.”

Huisman: “Dat het allemaal zo langzaam gaat komt volgens mij omdat maar een klein deel van de vrouwelijke bevolking er echt mee bezig is. Het zijn vooral de hoger opgeleide vrouwen die zich druk maken omdat ze ontevreden zijn over hun situatie.” Evenhuis: “Het zou mooi zijn als we ons konden opheffen. Maar er is teveel nog niet bereikt.”