Vat uw werk samen in één minuut; Pierre Bourdieu over de goede smaak, intellectuelen en de tv

“Televisie heeft de kracht van een volksstemming,” zegt de Franse socioloog Pierre Bourdieu. Zijn boeken geven aanleiding tot heftige reacties. Dat ligt voor de hand, want de intellectueel, concertbezoeker, kunstenaar of hoogleraar die Bourdieu leest, leest vaak over zichzelf. “Ik ga steeds op zoek naar de wetten van al die culturele wereldjes.”

De regels van de kunst; Wording en structuur van het literaire veld, Vert. Rokus Hofstede. Uitg. Van Gennep, 475 blz. Prijs ƒ69,50. (Les Règles de l'art; Genèse et structure du champ littéraire. Uitg. Seuil, 481 blz.

Opstellen over smaak, habitus en het veldbegrip, Pierre Bourdieu, gekozen door Dick Pels, 352 blz. Uitg. Van GennepArgumenten; Voor een reflexieve maatschappijwetenschap, (met Loïc J.D. Wacquant), 238 blz. Uitg. SUALibre-échange, Pierre Bourdieu en Hans Haacke, 147 blz., geïll. Uitg. Seuil/les presses du réel

Een nieuw boek van Pierre Bourdieu is in literair Parijs altijdgoed voor enige opwinding. Hij mag in de loop der jaren zo'n dertig boeken hebben geschreven, als socioloog internationale erkenning hebben verworven, en sinds 1981 hoogleraar zijn aan het beroemde Collège de France, omstreden is Bourdieu (63) nog steeds. De man die school maakte met zijn analyse van de culturele smaak als machtsfactor in de maatschappij, is een auteur met uitgesproken voor- en tegenstanders.

Dat bleek weer eens in september 1992 bij de verschijning van zijn boek Les Règles de l'Art (dat deze maand in Nederlandse vertaling uitkwam als De regels van de kunst; Wording en structuur van het literaire veld). De vrijdagse boekenbijlage van Le Monde achtte het belang van het boek zo groot dat tegelijkertijd maar liefst drie recensies werden afgedrukt. Un grand livre, oordeelde één criticus. Een faux grand livre, schreef een ander. En de derde noemde Bourdieu een vernieuwer, wiens studie op een 'actieve, dat wil zeggen kritische manier' betrokken moet worden bij ieder toekomstig onderzoek van de literaire wereld. Maar hij voegde daar de verzuchting aan toe dat Bourdieu er goed aan gedaan zou hebben wat bondiger te schrijven en wat meer aandacht te besteden aan zijn stijl.

Inderdaad is Bourdieu niet een van die Parijse intellectuelen die met een gouden pennetje filosofische of wetenschappelijke tractaten schrijven alsof het romans zijn. Zijn weerbarstige proza, met lange, complexe zinnen en jargon van eigen makelij, is nauwelijks uitnodigend te noemen. Een lieveling van het grote publiek is hij dan ook niet.

Maar de intelligentsia kan niet om hem heen - al was het maar omdat zij zelf keer op keer door Bourdieu onder de loep wordt genomen. De sociologie van intellectuelen, kunstenaars, academici en het culturele publiek is in de loop der jaren zo'n beetje het specialisme van Bourdieu geworden. En daarom is het ook niet zo vreemd dat zijn boeken vaak tot heftige reacties aanleiding geven: de intellectueel, concertbezoeker, kunstenaar of hoogleraar die Bourdieu leest, leest vaak over zichzelf.

Ook de journalist van het Cultureel Supplement die Bourdieu ontmoet voor een vraaggesprek, bevindt zich in zo'n dubbele positie. De wereld waarin hij dagelijks opereert heeft Bourdieu in verschillende publikaties kritisch geanalyseerd en in kaart gebracht. Als hij de Fransman de hand schudt in het kantoor van diens Nederlandse uitgever Van Gennep aan de Amsterdamse Spuistraat, voelt hij zich bijna als een personage dat zijn auteur begroet.

U heeft geschreven over zeer uiteenlopende onderwerpen, maar het lijkt of u speciale belangstelling hebt voor de kunst en wat u noemt het culturele veld. Waarom kent u daar zo'n groot belang aan toe?

“Deels is het een naïeve belangstelling: ik ben altijd geboeid geweest door kunst. Voordat ik filosoof, ik bedoel socioloog werd, wilde ik dirigent worden - maar daar bleek ik al snel niet de kwaliteiten voor te hebben - en kunsthistoricus. Ik ben begonnen de kunstsociologie als een soort hobby te beoefenen. Als mijn etnologische werk soms wat te saai werd, deed ik het er voor mijn plezier naast.

“Ik stelde me de vraag: wat gebeurt er als er een kunstwerk gemaakt wordt, iets dat bij uitstek uniek en bijzonder lijkt? De centrale gedachte van mijn boek is dat je dat niet kunt begrijpen door alleen naar het kunstwerk zèlf te kijken. Maar je kunt het ook niet afleiden uit de maatschappelijke werkelijkheid, zoals de marxistische kunstsociologen deden.

“Ik vond dat ik mijn blik binnen de maatschappij moest richten op die microkosmos die het artistieke veld, de kunstwereld is. Op zichzelf is dat een klein universum, waarbinnen een heel eigen spel gespeeld wordt, met heel eigen regels - die overigens van tijd tot tijd kunnen veranderen. Ik noem zo'n wereldje een 'autonoom veld', een notie die ik heb toegepast op verschillende terreinen: de godsdienst, de wetenschap, het onderwijs. Ik ga steeds op zoek naar de wetten van die wereldjes. Bijvoorbeeld: Wat definieert een goede schrijver? Hoe wordt een schrijver geacht zich te verhouden tot de markt? Hoe concurreren schrijvers met elkaar?”

Zijn invloedrijkste boek tot nu toe, La Distinction (1979), is een sociologische analyse van de goede smaak. Bourdieu betoogt daarin dat esthetische smaak niet alleen klassebepaald is, maar ook een belangrijk instrument om zich maatschappelijk te onderscheiden, en dus klassebepalend. Hij introduceerde het begrip cultureel kapitaal, waarmee hij het esthetisch onderscheidingsvermogen bedoelt, de basis van smaak. Dat kapitaal zou even ongelijk verdeeld zijn als economisch kapitaal, en evenzeer een bron van macht. Belangstelling voor kunst en cultuur is, aldus Bourdieu, niet belangeloos zoals vaak wordt verondersteld, maar juist zeer profijtelijk: door een bepaald smaakoordeel toont men zich immers gedistingeerd, onderscheidt men zich van andere klassen.

Met Les règles de l'art verschuift Bourdieus aandacht van wat hij noemt de culturele consumptie naar de culturele produktie. Hij onderzoekt hoe schrijvers en kunstenaars in de negentiende eeuw - Baudelaire en vooral ook Flaubert - de onafhankelijkheid hebben bevochten die het hen mogelijk maakte 'kunst om de kunst' te maken - zonder politieke of ideologische verplichtingen, zonder afhankelijkheid van opdrachtgevers. Flaubert heeft, in de woorden van Bourdieu, “veel bijgedragen aan de vorming van het literaire veld als een op zichzelf staande, aan haar eigen wetten onderworpen wereld.” In detail beschrijft Bourdieu hoe volgens de nieuwe regels van het spel de schrijver een soort literaire aristocraat werd, die zich niets aantrok van aanzien of publiek succes - dat laatste was zelfs verdacht.

Met zijn analyse van de 'onafhankelijkheidsstrijd' van Flaubert en zijn tijdgenoten hoopt Bourdieu de schrijvers aan het eind van de twintigste eeuw, en meer in het algemeen de intellectuelen, te herinneren aan de oorsprong van hun vrijheid. Die vrijheid - om te schrijven wat ze willen, maar ook om zich met de wereld te bemoeien - zou namelijk tegenwoordig ernstig bedreigd zijn. Want “kunstenaars, schrijvers en geleerden worden steeds meer van het openbare debat uitgesloten”, schrijft Bourdieu.

U schrijft dat kunstenaars en intellectuelen zelf minder standpunten innemen dan vroeger, maar ook steeds minder mogelijkheden krijgen om aan het maatschappelijk debat deel te nemen. Dat wijt u aan de journalistiek.

“Ik zeg niets gemeens. Maar in het journalistieke spel zoals dat nu gespeeld wordt, zijn journalisten, ongeacht hun kwaliteiten en goede wil, steeds meer onderworpen aan een verwerpelijk soort pressie. In het journalistieke veld is de televisie verschenen, met haar macht te verleiden, en met de kijkcijfers. Alle kranten, inclusief Le Monde, moeten zich richten naar de televisie. Het is nu nog een erezaak voor Le Monde om belangrijk buitenlands nieuws op de voorpagina te zetten. Het zal niet lang meer duren of we hebben de affaire-Tapie op de voorpagina. Wat zeg ik - het begint al. Straks hebben we alleen nog schandalen en misdaad op de voorpagina. En waarom? Omdat het televisienieuws er mee opent.”

Is het effect van televisie per definitie zo negatief?

“Televisie heeft de kracht van een volksstemming. Als veel mensen naar een programma kijken, heeft het een soort goedkeuring bij referendum: de kijkcijfers. Men zegt: dat is toch democratisch? Maar het is alleen de triomf van de reclame en de vrije markt.

“Steeds meer wordt de waarde van culturele produkties afgemeten aan het aantal mensen dat ernaar kijkt of luistert, naar het aantal consumenten. Het culturele veld dat in de negentiende eeuw tot stand kwam heeft zich juist ontwikkeld tégen de heerschappij van het aantal. Een schrijver die niet meer dan tien lezers had, kon in dat universum toch de beste zijn.”

Tegenwoordig verkoopt een toch niet eenvoudig werk als Les règles de l'art goed, het wordt zelfs in het Nederlands vertaald. Dat moet u toch tevreden stemmen.

“Ik hoop dat het goed verkoopt, maar vergeet niet: het is moedig van de uitgever om het te vertalen. Hij neemt een groot risico.”

Maar deze krant bijvoorbeeld besteedt er aandacht aan. Zo worden honderdduizenden mensen erop gewezen. Ook andere kranten en televisieprogramma's informeren hun publiek regelmatig over kunst en wetenschap.

“Toch ben ik somber, vooral wegens de kijkcijfermentaliteit, een van de meest funeste gevolgen van de televisie. Vaak onbewust laat men - zelfs bij de beoordeling van culturele produkties - de aantallen een rol spelen. Een jaar geleden heb ik een boek geschreven dat La misère du monde heet, en waarvan meer dan 80.000 exemplaren werden verkocht, wat voor een moeilijk boek buitengewoon is. Mijn imago in de media veranderde daardoor heel duidelijk: een auteur die zoveel verkoopt moet wel belangrijk zijn, vond men, terwijl ik al dertig jaar publiceer. De waarden van de avant-garde in de negentiende eeuw waren zo dat men gezegd zou hebben: dat is commercieel, het heeft succes, en alleen daarom al is het verdacht.”

Restanten van die mentaliteit bestaan nog steeds, maar dat is toch ook niet goed?

“Nee, dat is waar. Maar de collectieve mentaliteit die nù heerst, heeft heel ernstige gevolgen voor bijvoorbeeld de uitgeverijen. Ik heb avant-garde-uitgevers enorm zien veranderen. Minuit, die Beckett nog heeft uitgegeven, ging er prat op boeken uit te brengen in een oplage van vijftig exemplaren. Nu draait alles om de marketing. Sommige boeken die men goed vindt, weigert men uit te geven uit angst dat ze niet genoeg zullen verkopen. En boeken waarvan men weet dat ze slecht zijn worden toch uitgegeven, omdat ze er een subsidie mee kunnen krijgen of omdat ze goed zullen verkopen.

“Ik denk dat het erg belangrijk is voor een democratie om moeilijke kwesties toegankelijk te maken. Ik word betaald uit belastinggeld, dus vind ik dat de mensen kennis moeten kunnen nemen van wat ik doe. Maar het ideaal van wetenschap voor iedereen begrijpelijk maken leeft nauwelijks nog. En met kunst is het al net zo: men accepteert dat kunstenaars onder elkaar bezig zijn in hun eigen kleine wereldje, men geeft ze subsidies en laat ze verder maar...”

Maar kranten en televisie informeren hun publiek toch regelmatig over wat wetenschappers en kunstenaars doen?

“Op een heel beperkte manier. Laatst vroeg iemand me: vat de uitkomsten van uw werk eens samen in 1 minuut. Dat is televisie!

“De omstandigheden waaronder we toegang hebben tot de massamedia zijn zo slecht dat het niet loont. Als je er toch aan meedoet, is het belachelijk. Alleen degenen die toch niets te zeggen hebben, en dat dus net zo goed in 1 minuut kunnen doen, vertonen zich nog op de televisie.”

In een 'Post-scriptum' bij De regels van de kunst roept Bourdieu kunstenaars, schrijvers en geleerden op zich te manifesteren als een internationale macht, “zich te mobiliseren en een ware Internationale van intellectuelen te creëren.” Eind vorig jaar richtte hij daartoe met schrijvers als Toni Morisson en Salman Rushdie in Straatsburg een 'schrijversparlement' op, al was er bij dit 'parlement' sprake van kiezers noch gekozenen.

“We hebben meteen gezegd: je moet niet vragen wat het is, maar wat we doen. We moedigen steden aan zich in te zetten voor vervolgde schrijvers, schrijvershuizen op te richten waar ze gehuisvest kunnen worden met een klein salaris en de nodige produktiemiddelen. Er is een fonds waaruit vertalingen van vervolgde schrijvers betaald kunnen worden. We hebben het woord parlement alleen gebruikt om het meer verantwoordelijkheid te geven. In september komen we in Lissabon weer bijeen. De bedoeling is dat het parlement zo'n vijftig, zestig mensen uit verschillende landen bijeen zal brengen.”

Is het recente initiatief voor een lijst-Sarajevo, waarmee nouveau philosophe Bernard-Henry Lévy (BHL) eerst wèl, en later toch maar weer niet aan de Europese verkiezingen wilde meedoen, een voorbeeld van het soort intellectueel activisme dat u voorstaat?

Voor het eerst tijdens het gesprek toont Bourdieu zich vermoeid. Hij wrijft met zijn handen over zijn gezicht en zucht diep. In De regels van de kunst noemt hij Bernard-Henry Lévy niet bij name, maar de goede verstaander kan vermoeden dat hij hem op het oog heeft in zijn slothoofdstuk waar hij fel uitvaart tegen de “nieuwe denkmeesters zonder gedachten - ces nouveaux maîtres à penser sans pensées”, die het publieke debat tegenwoordig domineren.

“Het was een ongelukkig en oppervlakkig initiatief, dat bleek ook al snel”, zegt Bourdieu. “Dit soort mensen versterkt het anti-intellectualisme bij het grote publiek en de journalistiek, waar een diepgeworteld anti-intellectualisme heerst. Ik moet zelf ook ieder dag mijn anti-intellectualisme overwinnen.

“Dit soort initiatieven is alleen gericht op de initiatiefnemers zelf. Ik vind dat intellectuelen die zich organiseren een professionele woordvoerder moeten nemen. Toen ik met Foucault een demonstratrie voor Polen organiseerde vroegen we Yves Montand of hij onze tekst wilde voorlezen. Op die manier is het niet zo narcistisch. Als je je ergens voor inzet, doe je dat toch niet om je naam op alle voorpagina's te krijgen? Een deel van de acties van Parijse intellectuelen is slechts exhibitionisme, en dat doet meer kwaad dan goed.

“Het zijn would be intellectuals zonder oeuvre. Vergelijk hen eens met Jean-Paul Sartre, die liep bij demonstraties altijd in hetzelfde oude windjack, maar je had wel een karretje nodig om zijn oeuvre te vervoeren. Zijn L'Etre et le Néant, zijn Critique de la raison dialectique, zijn reeks Situations, zijn 'Flaubert' - dat alles demonstreerde dan als het ware mee. Maar met zo'n Glucksmann (geestverwant van Lévy, JE) heb je het over drie zulke dunne boekjes. Ze maken de gebaren van intellectuelen, maar dat heeft alleen zin als ze gemaakt worden door iemand met een oeuvre.”

Sartre wordt steeds meer gezien als iemand die zich vooral vreselijk vergist heeft op politiek gebied, en die verder niet zo interessant meer is. Betreurt u het dat de reputatie van Sartre zo slecht is?

“Het ligt gecompliceerd. Er zijn veel goede redenen om kritiek op Sartre te hebben. Maar wat men niet erkent is wat hij goed heeft gedaan: de poging een kritische, verantwoordelijke, universele intellectueel te zijn. Het is een beetje belachelijk jezelf als universele intellectueel te zien, en toch is het goed: die gekte van intellectuele grandeur. Hij liet zien wat een intellectueel kàn zijn. Hij is niet geweest wat hij had moeten zijn, maar de intentie was formidabel. En Sartres oeuvre, zijn filosofische oeuvre is nog steeds van belang. Ik ben het met heel veel punten oneens, maar het is een grote filosofische positie, waaraan je kunt refereren.”

U is wel verweten dat u uw eigen positie steeds buiten beschouwing laat. U hekelt de vercommercialisering van de literaire wereld, maar Les règles de l'art verschijnt om kopers te lokken met een blauw buikbandje, waar toch wat misleidend op staat Le 'Flaubert' de Bourdieu.

“Dat was niet mijn idee. Mijn uitgever wilde dat.”

Maar dat is toch helemaal het spel in het literaire veld dat u zelf in algemene termen beschrijft? Het is toch niet verwonderlijk dat dat mensen aanzet tot enige spot?

“Zeker. Maar de uitgever zei: laten we het nou doen, dan verkoopt het goed. Hij zei: dan gaan de mensen het zo noemen: kijk, de Flaubert van Bourdieu is uit. Het verwees natuurlijk naar 'de Flaubert' van Sartre, de reusachtige biografische studie die Sartre maakte van Flaubert.

“Wat mijn eigen positie betreft: in zekere zin is Homo Academicus (Bourdieus studie van het universitiare leven) een soort analyse van mijn eigen positie.”

Is het voor u belangrijk socioloog te zijn, zich zo te noemen, en niet filosoof, wat u van opleiding bent?

“Ik zeg liever: ik ben socioloog. Want de sociologie is een pariawetenschap, wordt met de nek aangekeken. Daarom vereenzelvig ik me ermee.”

De filosofie is voor u te respectabel?

Lachend zegt Bourdieu: “De filosofie is te zeer gerespecteerd, en niet respectabel genoeg.”