Ruilen

We zaten naast elkaar op het muurtje bij het café, de oude Manuel en ik. Zijn achterkleinzoon was er ook. Opeens vroeg die: “Papa, geef je me twintig duros om een schrift te kopen?” Manuel haalde geld uit zijn achterzak en de jongen holde naar de winkel naast het café.

“Het was toen moeilijk om aan papier te komen,” zei Manuel. “Op een keer... We lagen al drie maanden ingegraven en een paar honderd meter verderop, aan de andere kant van het dal, lagen zij. Ik geloof dat het in '38 was.”

Manuel heeft in de burgeroorlog gevochten. De twee partijen die met elkaar streden waren landgenoten van elkaar, net als nu in het vroegere Joegoslavië, min of meer.

“Overdag werd er voortdurend geschoten, maar 'snachts was het meestal rustig,” ging Manuel verder. “Ik was onderofficier, en op een nacht deed ik de ronde langs onze wachtposten. Toen ik vlakbij de plek was waar twee soldaten de wacht hielden, hoorde ik stemmen. Maar het waren er meer dan twee. Wel vier, dacht ik.” Manuel wachtte even. “Wat gebeurde er?” vroeg ik.

“Ik hurkte in het gras en luisterde. 'Wij hebben geen papier meer om brieven naar huis te schrijven', hoorde ik zachtjes zeggen. 'Jullie wel?' 'Ja, wij hebben nog wat', zei een ander. 'Maar we hebben geen tabak meer. Ook geen vloeitjes.' 'O, dat hebben wij nog wel', zei weer die ene. Ik begreep er niks van. Waren ze aan het ruilen? Maar met wie dan? 'Luizepoeder hebben we ook niet', hoorde ik zeggen. 'Luizepoeder? We worden zelf ook opgevreten door de luizen. Daar helpt niets tegen.'

Nou, ik hield me stil; ik moest weten wat daar aan de hand was. 'Goed', zei er toen een. 'Morgen tussen vier en half vijf. Onder de brug zullen we op jullie wachten. Vanaf vier uur geen schot! We moeten wel voortmaken, anders merken ze het.' Toen hoorde ik dat er een paar stilletjes weggingen. Ze liepen rakelings langs me. Ik wachtte nog even, ging toen naar mijn mannen. 'Alles rustig?', vroeg ik. 'Alles rustig', zeiden ze.''

Ik keek Manuel aan. “Wat had dat te betekenen?”, vroeg ik.

“Er waren er twee van hen gekomen, van de overkant,” zei hij en zijn ogen lachten. “Zo gaat dat nou in een burgeroorlog. Ik weet niet of het in andere oorlogen ook gebeurt, maar ik denk het niet.”

“Maar wat deden ze dan?”

“Ze ruilden met de vijand. De soldaten. Wij, officieren, wisten er niets van. Ze maakten een afspraak om een half uur niet te schieten en elkaar te ontmoeten onder de brug. Om dingen te ruilen...” We waren allebei een poosje stil.

“Ik zou eigenlijk met roken moeten stoppen, maar als je je hele leven gerookt hebt...” Hij inhaleerde diep. “Als de vijand je buurman is, of je neef, of zelfs je broer... De meeste soldaten vochten omdat ze toevallig in dienst waren toen het begon. Begrijp je wel. En ze spraken dezelfde taal, moet je niet vergeten.”

De kleine Manuel kwam de winkel uithollen. “Papa, ze hebben hele dikke schriften voor maar dertig duros!”

Weer ging de magere hand van de oude man naar zijn achterzak.