Niet de Franken, maar Monnet bedacht de EEG

Paul Belien schreef zaterdag op de opiniepagina dat de Europese Gemeenschap. wortelt in de federalistische ideeën van het Frankische middenrijk. K.M. Schreiner vindt dat onzin. Hij stelt dat de economische en politieke noden van het naoorlogse Europa de doorslag gaven.

Weinig overtuigend is de poging van Paul Belien van het Centre for the New Europe in Brussel om aan te tonen dat minister Schuman en kanselier Adenauer bij de stichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal bezield waren van een 'federalistisch idee' dat wortelde in de traditie van het Frankische Midden-Rijk van 843. Dat rijk was nauwelijks dertig jaar later weer verdwenen, opgedeeld tussen West- en Oost-Francië, waaruit zich in de loop der eeuwen Frankrijk en Duitsland ontwikkeld hebben. En het is nooit herrezen.

Belien heeft in zekere zin gelijk als hij zegt dat de EEG niet is ontstaan als een gezamenlijk initiatief van Frankrijk en Duitsland. Want de Amerikanen hebben heel nadrukkelijk meegedacht. Maar hij belandt in het droomland der fantasie als hij het 'een Middelfrankisch initiatief' noemt, aangezien haar stichters door hun herkomst (Schuman was Luxemburger en Adenauer Rijnlander) in sterke mate gevormd zouden zijn door de 'kapitalistische Middenfrankische burgergemeenschap'. Want in 1950 ging het niet om de vervulling van een denkbeeldig Middenfrankisch federaal ideaal maar om de oplossing van een groot aantal brandende politieke en economische problemen waarmee het politiek en economisch door de oorlog volledig verwoeste Europa had te kampen.

Belien vermijdt dan ook zorgvuldig in zijn overwegingen het basisdocument te betrekken, dat als geen ander licht werpt op de bedoelingen van de initiatiefnemers. Maar dat - kenmerkend voor de wijze waarop de Europese discussie altijd van bovenaf is gevoerd - tot 1970 geheim is gehouden, zodat het in de discussie over de stichting geen enkele rol heeft kunnen spelen.

Bedoeld is het 'Mémorandum Monnet' van 3 mei 1950, waarin de ontwerper van het plan, Jean Monnet, de redenen uiteenzet waarom hij dit plan voor een gemeenschappelijke markt voor kolen en staal heeft ontworpen, dat hij eerder aan premier Bidault en via diens kabinet aan minister Schuman had doen toekomen. Het memorandum is op 9 mei 1970 gepubliceerd in Le Monde.

Een van de centrale opmerkingen in dit memorandum is, dat door de voorgestelde oplossing het gevaar zou verdwijnen dat de Duitse economie bij verdere groei een dominerende positie zou krijgen, waardoor de politieke vereniging van Europa onmogelijk zou worden en Duitsland zich opnieuw in het verderf zou storten. Dank zij de gemeenschappelijke markt zou de industriële expansie van alle Europese landen mogelijk zijn, met concurrentie, maar zonder overheersing.

Bovendien betoogde Monnet, als Frankrijk nu niet zou handelen, zouden de andere Europese landen zich dichter rond de Verenigde Staten scharen, wat tot een verscherping van de Koude Oorlog zou leiden en tot een versterking van de positie van Duitsland. En hij betoogde voorts dat de VS er op zullen staan dat de integratie van het Westen een feit wordt. Maar wel zouden zij bereid zijn desbetreffende Franse voorstellen te aanvaarden als deze dynamisch en constructief zijn.

Monnet wist waarover hij sprak. Want als leider van het Franse economische moderniseringsprogramma had hij maandenlang in Washington onderhandeld met beleidsambtenaren in Washington die hem de voor die modernisering nodige kredieten moesten verstrekken. Een van die beleidsambtenaren was W.W. Rostov, die zijn ervaringen in 1982 te boek heeft gesteld onder de titel The Division of Europe after World War II (1946).

Deze Amerikaanse beleidsmakers stonden voor het probleem hoe zij het economische en politieke herstel zouden kunnen bewerkstelligen van het door de oorlog totaal verwoeste Europa. De Europese landen afzonderlijk, elk achter zijn eigen grenzen en tolmuren verschanst, bleken daartoe niet meer in staat. Het centrale probleem was dat met name het economische herstel van Duitsland dringend geboden was - niet alleen in het belang van Duitsland zelf - maar dat dit herstel voor de buren van dat land politiek aanvaardbaar moest worden gemaakt na de jaren van Duitse bezetting. Dat wil zeggen dat de vrees moest worden weggenomen dat Duitsland weer een overheersende positie op het Europese continent zou krijgen.

Al in een vrij vroeg stadium zijn de Amerikanen daarbij tot de conclusie gekomen, dat de eenheid van Duitsland niet zou kunnen worden bereikt zonder de eenheid van Europa en dat de eenheid van Europa het best zou kunnen worden nagestreefd door middel van een kreeftegang, dat wil zeggen via technische samenwerking op economisch gebied in plaats van botweg door diplomatieke onderhandelingen.

Toen de tweede versie van de desbetreffende plannen gereed was achtten de Amerikaanse plannenmakers de tijd gekomen Monnet in te schakelen. (“... at this stage... Jean Monnet was brought into the act”). Hij werd voor dat doel tijdens een bezoek aan Washington benaderd door Eugene Rostov, een broer van de auteur, die in 1943 in Noord-Afrika nauw met Monnet had samengewerkt.

Het beeld dat Monnet en Rostov schetsen van de overwegingen die tot de oprichting van de Kolen- en Staalgemeenschap hebben geleid heeft meer te maken met de politieke en economische noden van het naoorlogse Europa dan met de geïdealiseerde deugden van een geïdealiseerd Midden-Francië.