Muziek van Bachs zoon in gesuikerde en gekruide bewerking

Concert: Nieuw Sinfonietta Amsterdam olv Lev Markiz, mmv Jard van Nes, mezzosopraan en Jacques Zoon, fluit. Werken van Schonberg/Wulff, Bach/Webern, C.Ph.Em. Bach/Henze, Liszt/Adams, Busoni/Adams en Wagner/Henze. Gehoord: 21/6 Beurs van Berlage, Amsterdam.

“In iedere muzikale zin die je schrijft kun je je grootvaders herkennen, je kunt Josquin horen en Verdi, plus Monteverdi en Mozart. En als je zou proberen dat alles te ontkennen, dan zou je iets onmenselijks voortbrengen, een soort fascistische kunst,” zei Hans Werner Henze, met John Adams de centrale figuur op het Holland Festival-concert in de serie Bewerkingen.

Maar John Cage heeft dat verleden wel degelijk willen uitbannen en ook Morton Feldman trachtte zich te bevrijden van elk historisme, psychologisme of wat dan ook. Of dit fascistische klanken opleverde? Welnee, eerder broze dan brute muziek.

Dinsdagavond in de Beurs van Berlage waren de componisten enigszins gelegitimeerd: men verwerkte de muziekgeschiedenis niet maar bewerkte ze. In het geval van Webern eenvoudig uit liefde voor Bachs zesstemmige Ricercata uit Das musikalische Opfer. In het geval van Henze als een kritiek op de vettige instrumentatie van Felix Mottl van Wagners Wesendonck-lieder. Dit laatste gold ook voor John Adams' nieuwe instrumentatie van Busoni's Berceuse elegiaque (afgeslankt door een fluit, een klarinet en twee hoorns te schrappen), waar hij nieuw georkestreerde werken van Liszt aan toevoegde, al even somber (La lugubre gondola II en Wiegenlied) om aldus een trilogie van de dood te scheppen.

Wie meende dat Adams de muziek te veel naar zich toe zou trekken om er zijn eigen minimalistische stempel op te drukken, kwam bedrogen uit. Er sprak wel degelijk eerbied uit voor de oude meester.

Was het orkest minder op dreef, er werd wel met inzet gemusiceerd. Maar het klonk te veel als een strijkersensemble met 'aangeplakte' blazers, er stoorden iets te veel ongerechtigheden zoals ongelijke en mislukte inzetten. Alleen soliste Jard van Nes kon haar fraaie mezzo beter laten uitkomen dan in de bekende Mottl-orkestratie (in een meer dramatische dan somptueuze vormgeving) en Jacques Zoon was in Henze's bewerking van een Clavier-Fantasie met vioolobligaat van Carl Philipp Emanuel Bach (in een zetting voor fluit, harp en strijkers) weergaloos fraai.

Zoons galante stijl wordt meestal als sierlijke krullen trekkend, luchtig en enigszins nonchalant, om niet te zeggen kneuterig bleek geinterpreteerd. Maar zo is Jacques Zoon niet, bij hem telt elke frase, krijgt alles zijn betekenis in een doorleefd en vurig betoog. Wat een gemis dat deze musicus binnenkort naar het buitenland vertrekt. Dat zijn onvoorwaardelijke inzet niet spoorde met de style galante en nog minder met de temerige strijkerszetting van Henze, stoorde mij niet in het minst. Je zou kunnen zeggen dat de muziek van Bachs zoon tweemaal werd bewerkt: eerst gesuikerd door Henze en daarna gekruid door Zoon, een boeiende zij het enigszins perverse ervaring.