Moeten

Op de verjaardag van de merel zat de wesp naast de beer.

“Beer...” zei hij.

“Ja”, zei de beer, met volle mond.

“Weet je...”

“Ja...”

“Ik zou je zo graag eens willen steken.”

“O ja?” zei de beer en stopte een nieuw stuk taart in zijn mond.

“Ja”, zei de wesp. “Niet hard, hoor, een klein steekje maar.”

“O”, zei de beer. “Doe het toch maar niet. Neem jij geen taart, wesp?”

“Nee”, zei de wesp.

Hij keek somber naar zijn lege bord. Wie zou ik wel mogen steken, dacht hij. Niemand natuurlijk. Helemaal niemand.

Hij zuchtte en schoof zijn stoel achteruit. En plotseling stak hij de beer en vloog hij weg.

“Au”, riep de beer. Hij liet een enorm stuk honingtaart uit zijn mond vallen en greep naar zijn nek.

De wesp was op een tak van de eik gaan zitten.

“Het spijt me!”, riep hij. “Het spijt me, beer!”

“Ja, ja”, zei de beer, terwijl hij het stof van zijn taart sloeg.

Waarom wil ik toch altijd steken? dacht de wesp. Het liefst zou hij net als iedereen gezellig op bezoek gaan en een kopje thee drinken en over niets in het bijzonder praten. En als ze zouden vragen: “En, wesp... steek je nog?” zou hij willen zeggen: “Nee, ik steek niet meer, o nee, zeg, steken..., nee hoor, dat nooit meer...” Maar telkens stak hij weer.

Soms werd hij daar zo ongelukkig over dat hij zichzelf stak en 'Au' riep en hard wegvloog. Steken is verschrikkelijk, is afschuwelijk, is ontzettend, zei hij vaak 'savonds voor het slapen gaan duizend keer tegen zichzelf, telkens in een andere volgorde en met een andere stem. Maar dat hielp nooit.

En terwijl de beer hem al lang weer was vergeten en het feest van de merel vrolijk verder ging zat de wesp somber op de tak van de eik na te denken. Ik moet steken, dacht hij. Dat is het. Het moet. Maar waarom steken? Waarom moet ik nooit kwaken? Of kronkelen? En waarom wil er nooit iemand met mij ruilen?

Maar hij was bang dat hij misschien wel nooit een antwoord op die vragen zou krijgen. Schuin onder zich zag hij de olifant, die net opstond om met de eekhoorn te gaan dansen. De wesp keek naar de grijze oren en de grote, grijze rug. Nee, zei hij tegen zichzelf, nee, wesp, nee, nee.