Kunsthandel; Frans Jacobs

Frans Jacobs, Rokin 46. T/m 30 juli. Di t/m za 12-15u. Prijzen vanaf 250.000 gulden. W. Laanstra: Cornelis Springer. Geschilderde steden. Prijs ƒ99,50.

Kunsthistorici moeten nog altijd even slikken als ze te maken krijgen met de schilderkunst uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Ze vinden het verdraaid jammer dat de woeste romantiek aan ons land praktisch voorbij is gegaan. Voor ons geen Caspar David Friedrich en geen Constable; de Hollandse schilders herontdekten juist de huiselijk-gezellige kanten van de schilderkunst uit de zeventiende eeuw. Ze maakten genretafereeltjes zoals De Hoogh, schilderden lommerijke landschappen in navolging van Hobbema en schiepen stadsgezichten zoals Van der Heyden. Collectief plagiaat, vinden de kenners.

Pas de laatste jaren tonen musea weer een wat grotere toegeeflijkheid tegenover deze periode, zoals bijvoorbeeld te merken was aan de tentoonstelling 'Op zoek naar de Gouden Eeuw. Nederlandse schilderkunst 1800-1850' in het Haarlemse Frans Halsmuseum (1986). Daarin presenteerden Guido Jansen en Louis van Tilborgh de schilders die zij zagen als de toppers van hun tijd; mannen als Van Troostwijk, Jan Weissenbruch en Knip. Ook zij schreven echter nog op haast verontschuldigende toon over hun onderwerp: originaliteit was in die periode nu eenmaal niet het hoogste streven geweest, enzovoorts.

De kunsthandel en zijn klanten doen daar van oudsher veel minder moeilijk over. Naar goedgeschilderde werken in een ouderwetse, degelijke techniek is altijd vraag. Kunsthandel Frans Jacobs, onlangs verhuisd van de Amsterdamse Nieuwezijds Voorburgwal naar het Rokin, opent zijn nieuwe vestiging daarom met een tentoonstelling van zestig schilderijen van de stadsgezichtenschilder Cornelis Springer (1817-1891). Springer-kenner Willem Laanstra presenteert er een luxe supplement van zijn oeuvre-catalogus uit 1984.

Springer wordt vrijwel doodgezwegen in standaardwerken over de negentiende eeuw. Toch waren zijn zonnige straattaferelen al tijdens zijn leven zeer gevraagd. De produktieve schilder (circa 600 schilderijen) moet als een vorst hebben geleefd: op het toppunt van zijn roem, in de jaren 1870, verdiende hij meer dan 15.000 gulden per jaar.

Cornelis Springer was een leerling van de topografische schilder Kaspar Karssen. Aanvankelijk schilderde hij, naar diens voorbeeld, grotendeels gefantaseerde gebouwen van buitengewone proporties. De enige echte ontwikkeling die in zijn werk valt is aan te wijzen is dat hij omstreeks 1850, de gebouwen tot normale afmetingen liet slinken, en topografisch grotendeels correcte situaties ging weergeven.

Een typische Springer is gesitueerd op een straathoek in Amsterdam, Alkmaar of Oudewater. De pittoreske gevelrijen van woonhuizen en winkels wisselt hij af met architectonische herkenningspunten, liefst kerktorens. De compositie is harmonieus, het perspectief knap, de lichtval spannend en de bakstenen zijn te tellen. Ook de rijke stoffering met gebladerte en kleurige figuurtjes dragen bij aan de aangename, nostalgische sfeer. Dat Springer met eenzelfde succesformule jarenlang fortuin bleef maken - zoals ook Corneille het Cobramaniertje al decennialang te gelde maakt - zal de liefhebber een zorg zijn. Een grote Springer kost tegenwoordig dan ook al gauw 250.000 gulden. Veel geld, maar altijd nog een stuk minder dan een beroemde oude meester met een vergelijkbaar onderwerp zou kosten. De Springertentoonstelling, waarvan een derde voor de verkoop is bestemd, lijkt ongewoon voor een firma die zich sinds tien jaar richt op de 'klassiek modernen' en de 'betere twintigste-eeuwse kunst'; men kan bij Jacobs terecht voor een Van Dongen of een Vuillard, maar ook voor een materieschilder als Dubuffet en een vroege of late Karel Appel - van de laatste heeft hij eveneens een tijdelijke tentoonstelling ingericht. Maar na zijn vestiging in Amsterdam, drie jaar geleden, besloot Jacobs op de PAN-beurs 1993 ook Amsterdamse stadsgezichten te brengen. Door het grote succes wil hij zich daar in de toekomst op gaan toeleggen. Omdat er weinig geschikte stadsgezichten uit de twintigste eeuw voorhanden bleken, neemt hij voortaan ook de negentiende-eeuwse topografische schilders op in zijn assortiment.