Het eten

Eerst bij de balie: een ouder echtpaar, zij met een grijze permanent en een hoge boezem, hij met grote handen en een bleek, ruw uitgehouwen gezicht. Katoenen regenjassen.

Hoe duur, vroegen ze, was een appartement. Dat vroegen ze natuurlijk niet allebei, maar hun optreden was van een zo grondig beproefde gezamenlijkheid, dat je nauwelijks in de gaten had wie van de twee nou eigenlijk het woord nam.

Later in de eetzaal: ze kregen een tafeltje in de hoek. De man legde zijn jas over een stoel, zijn vrouw hield hem aan. Ze zal heus wel iets gegeten hebben, maar wat opviel waren vooral de momenten dat ze streng en onaangedaan voor zich uit zat te kijken. Dit was iemand die hield van een rechte rug.

De man kromde zijn ene arm om zijn bord. Rundvlees, boontjes, gekookte aardappels en jus. Hij hield zijn enorme roofvogelkop vlak boven de tafel en at met een wazig soort vanzelfsprekendheid. Het malen van zijn kaken herinnerde aan andere mannen die ik had zien eten, aan de beste dagen van de Nederlandse arbeidersklasse. Die at wat hij nodig had, die had zijn eten zelf verdiend. Hij at wat hem toekwam.

De volgende dag: op de uitgestrekte dijk langs de schorren aan de waddenkant. Daar kwamen ze aan op fietsen, de een voorop, de ander achteraan.

“Kijk”, zeg ik, “die man zat gisteren te eten.”