Het beginsel van het verkeerde been; Tommy Coopers onvoorspelbare goocheltrucs op video

De Britse goochelaar Tommy Cooper stierf tien jaar geleden de mooiste dood die een komiek zich kan wensen: op het toneel en het publiek moest er om lachen. Zijn meestal mislukkende goocheltrucs zijn nu op video uitgebracht. “Het optreden van Tommy Cooper had te veel facetten om het als één vast ritueel te omschrijven.”

The Magic World of Tommy Cooper, drie delen, Polygram Video, ƒ29,95 per stuk.

Tommy Cooper komt op, zegt Good evening, kijkt gehaast in de coulissen en vraagt: Have I got time for more?

Is dat leuk? Niet, vrees ik, nu het hier zwart op wit staat. Maar toen ik het zag gebeuren, schoot ik in de lach. Net als in een andere show, toen hij opkwam en zei: I just came from Manchester. What a walk. En die keer dat hij heel ernstig vertelde dat hij naar de tandarts was geweest en in de wachtkamer wat tijdschriften had zitten doorbladeren: Wasn't that awful about the Titanic?

Wat er op papier aan ontbreekt, is bijna alles. Ik kan dat bewijzen omdat ik een boek van Tommy Cooper heb, getiteld Just like that!

en verschenen in 1975, dat vol grappen staat en niet één keer leuk is. Het is bedoeld als een humoristisch soort autobiografie, maar de opeenstapeling van woordspelingen en andere kwinkslagen wekt hoofdzakelijk verveling op. Als hij er niet zelf bij is, met dat grof geboetseerde hoofd en dat ietwat schonkig gebouwde lijf, blijft er vrijwel niets van over. Het is alsof hij tegen de lezer zegt: “Hier is de tekst, probeer er zelf maar een komisch nummer van te maken.” En dat lukt natuurlijk niet.

Tommy Cooper overleed tien jaar geleden. Het laatste dat hij heeft gehoord, is het gelach van een volle zaal. Hij trad op in Her Majesty's Theatre in Londen, in een variété-voorstelling die rechtstreeks op de televisie werd uitgezonden, en zakte tijdens zijn nummer in elkaar. Toen hij op de grond lag, dacht het publiek nog dat het er bij hoorde. Hij werd weggehaald en stierf op weg naar het ziekenhuis. Zijn dood kwam veel te vroeg (hij was 62), maar was zodoende wel de mooiste die een komiek zich kan voorstellen: nog een lach oogsten terwijl je sterft.

Stalen gezicht

Hij werd bij toeval in Wales geboren, omdat zijn ouders daar op vakantie waren, en groeide op in de buurt van Southampton, waar zijn vader een pluimveeboerderij had. Al op zijn tiende raakte hij verzot op goocheltrucs en als trooper bij de Horse Guards, in het geallieerde leger in Egypte, vermaakte hij er zijn kompanen mee. Uit die oorlogsjaren dateert ook de fez op zijn hoofd; voor de grap zette hij op een keer het hoofddeksel van een passerende ober op en besloot er ter plekke zijn handelsmerk van te maken. Maar zijn grootste succes kwam, vertelde Tommy Cooper altijd, toen er een truc mislukte en hij zich uit die netelige situatie redde door een paar grappen te vertellen. Sindsdien speelde hij de onhandige goochelaar wiens trucs doorgaans mislukten of op hun best te doorzichtig waren om indruk te maken.

In werkelijkheid was Cooper een uitstekend goochelaar; hij was een gewaardeerd lid van de Magic Circle, de Britse organisatie van goochelaars die op gezette tijden bij elkaar komen om de nieuwste trucs uit te wisselen. Hij vertelde bovendien dat hij aangesloten was bij de nog exclusievere Secret Six (so secret that I don't even know the other five), maar die blijkt - als ik in Engeland navraag doe bij een goochel-expert - niet te bestaan. Toen hij in 1974 in Nederland was om een promotiefilmpje voor de VARA te maken, hield hij na de arbeid de aanwezigen in café De Jonge Haan in Hilversum langdurig bezig met een reeks fabuleuze kaarttrucs. Pal onder mijn neus veranderde een harten-aas in een joker. Hij kon het wel, maar op het toneel speelde hij liever - en met meer succes - de stuntelaar.

Op zijn sterkst was Tommy Cooper als hij aanstalten maakte om een truc ten uitvoer te gaan brengen en zelfs aankondigde wat er ging komen (“nu ga ik voor u in deze vaas een bos bloemen toveren!”), maar de beslissende handeling eindeloos uitstelde. Peinzend pakte hij dan bijvoorbeeld een nutteloos ogend voorwerp van het tafeltje met goochelgerei en legde dat weer achteloos neer, of hij blies een papieren zakje op, verkreukelde dat en wierp het weg. Intussen vertelde hij grappen. Geen moppen; als hij bij uitzondering een mop vertelde, zei hij dat er vantevoren bij. Nee, hij deed alsof ze hem zelf waren overkomen. Er was een man naar hem toegekomen, die gejaagd had gevraagd of hij een politieman in de buurt had gezien. I said no. OK, he said, stick 'm up. Of hij zei dat hij samen met zijn vrouw de zolder had opgeruimd - stoffig en vol spinnewebben. But she looks after the children very well. Zulke snelle kwinkslagen, die hij met een stalen gezicht vertelde zonder één keer adem te halen, vormden zijn specialiteit. Ze waren allemaal gebaseerd op het principe van het verkeerde been: de halve mededeling stuurt de gedachte van het publiek een bepaalde kant op, waarna de andere helft onverhoeds een andere richting inslaat. Het genre wordt op dit moment in Nederland het best beoefend door Herman Finkers: “En dan nu een waarschuwing voor de scheepvaart: pas op.”

Dommig kwastje

Soms speelde hij ook een sketch. Maar de drie videobanden met compilaties uit zijn tv-shows, die nu - tien jaar na zijn dood - met succes op de markt zijn gebracht (al 50.000 verkochte exemplaren), tonen duidelijk aan dat daarin niet zijn grootste kracht lag. Tommy Cooper was geen komisch acteur die in het samenspel met anderen zijn punten scoorde. Als hij zich daar niettemin aan waagde, stond hij die anderen in de weg. Hij was een uitgesproken solist. Alleen met zijn attributen kon hij zijn tempo bepalen en voorkomen dat er verzadiging optrad. De videocompilaties doen daaraan af en toe afbreuk door zijn soli vroegtijdig af te breken en er meteen weer iets anders achter te plakken.

Hij moest alleen zijn, maar zelfs dat was nog niet voldoende. Op de drie banden zag ik ook solonummers in verkleding, bijvoorbeeld als een Hamlet met een blond page-pruikje of als een anglicaanse dominee met wit gewaad. Mij was hij echter het liefst als hij gewoon de goochelaar bleef die wegens omstandigheden niet toekwam aan zijn beste trucs. De rode fez met het dommig wapperende kwastje op het hoofd, daaronder het piekende haar boven de oren en tenslotte een ietwat ruim uitgevallen, maar verder onopvallend kostuum. Of liever nog de nette smoking als vervolmaking van de gebruikelijke goochelaarsuitrusting. Zijn kwinkslagen pasten het best binnen de anticipatie op de volgende truc, omdat ze dan onnadrukkelijke terzijdes bleven. Zodra hij ermee buiten die context trad, kregen ze een geforceerde klank. Ze moesten letterlijk tussen neus en lippen door verteld worden (I went to see my doctor; I had to, he was ill) om tot hun recht te komen. Niet voor niets keek hij meestal éérst nogal verrast op als er werd gelachen, om pas daarna zelf ietwat schaapachtig mee te lachen.

Meestal, maar niet altijd, want het optreden van Tommy Cooper had te veel facetten om het als één vast ritueel te omschrijven. Soms begon hij triomfantelijk te stralen als hij eindelijk aan zijn truc toekwam. Op andere momenten sloeg hij juist een zuchterige toon aan, terwijl zijn blik de wanhoop uitstraalde van de man die zich afvraagt waarom hij in vredesnaam niet een ander vak heeft gekozen. Vaak onderbrak hij de goochelaarshandelingen, ogenschijnlijk zonder reden, om nog even een opmerking te plaatsen: I've always been unlucky - I had a Rolls Royce once, and it died. Zijn timing en zijn reactievermogens waren uitgebalanceerd en gepolijst doordat hij ze duizenden keren had uitgetest voordat hij ermee op de televisie kwam. Maar voorspelbaar waren ze nooit; niet één keer wist ik vantevoren hoe hij op de lach van het publiek zou reageren. Razendsnel, te snel om er een patroon in te ontdekken, schakelde hij heen en weer tussen verbazing, goedlachsheid, pompeuze ernst en onbeholpenheid. En paradoxaal was ook zijn verschijning: een zwaarlijvige man, die verrassend lichtvoetig om zijn as kon draaien.

Eén keer zeventig minuten en twee keer vijftig minuten heb ik Tommy Cooper nu teruggezien. Het was alsof hij de dood heeft overwonnen en nog gewoon bestaat. Hij kwam op, verkondigde dat hij uit deze rode lap vier levende eenden zou laten opvliegen, sprak een toverformule, spreidde de lap uit, zag het grote ronde gat in het midden en zei: They got away again. Ooit maakte Toon Hermans een tragi-komisch glansnummer (de doif is dood) van zo'n mislukte goocheltruc, maar Tommy Cooper liet de tragiek weg. Bij hem ging het nooit ergens over. Er zat niets onder of achter, alleen het geniale raffinement van de man die grappig was door levenslang te spelen dat hij er niets van kon.