Gewiekste pastiches van Jonathan Coe; De grote mensen in Engeland

Jonathan Coe: What a Carve Up! Uitg. Viking, 501 blz. Prijs ƒ33,55.

Wie het Engeland van nu kent, begrijpt dat de behoefte onder schrijvers om een politieke, maatschappijkritische roman te schrijven groot is. De verwording van de politiek, het cynisme van de pers, het ontstaan van een dakloze onderklasse, de verwrongen retoriek en driedubbele moraal van de bovenklasse; het wachten was alleen nog op een romancier die al deze onderwerpen tegelijk aandurfde en aankòn. Tot nu toe hebben Britse schrijvers meestal voor een schrijnend soort realisme gekozen om hun lezers duidelijk te maken hoe erg het is; een dag uit het leven van een werkloze Schotse onderwijzer, een maand uit het leven van een bijstandsmoeder. Daardoor werd de ellende van kleine mensen in hun kleine wereld weliswaar voelbaar, maar ontbraken de grote verbanden. De machthebbers, de grote mensen in de grote wereld, bleven onzichtbaar.

In zijn vierde roman heeft de Engelsman Jonathan Coe (1961) het heel wat slimmer aangepakt: What a Carve Up!

is een panoramische roman over de lamentabele staat waarin Engeland verkeert, maar Coe bedient zich niet van het en-toen-en-toen-realisme à la Margaret Drabble; zijn vorm is de pastiche, zijn wapen is de humor. Voor een romanschrijver is Coe onbekommerd actueel en onbeschaamd geëngageerd - zijn boek wemelt van de echte namen en echte gebeurtenissen - maar hij is meer dan alleen een pamflettist of boze chroniqueur van de misère van de Engelse alledag. What a Carve up!

is een postmoderne roman, vol vormgrappen, speelse verwijzingen en intertekstuele lol.

De roman begint met een korte familiegeschiedenis van de Winshaws, een steenrijke familie die geheel en al uit Dickensiaanse grotesken bestaat en haar domicilie heeft in het spookachtige landhuis Winshaw Towers in de verlatenheid van Yorkshire. Een familietragedie - een van de telgen wordt in 1942 vliegend boven Duitsland neergehaald en zijn zuster beschuldigt de oudste broer ervan daar de hand in te hebben gehad - leidt tot een conflict dat doorwerkt tot in het heden. De jongste generatie Winshaw bezet machtsposities in het door Thatcher uitgeholde Engeland: Hillary schrijft een ultra-rechtse column in een krant en baast over een commerciële televisie-zender, Dorothy staat aan het hoofd van een bio-industrie, Thomas is groot geworden in het bankwezen, Henry in de parlementaire politiek en Mark verhandelt wapens met Irak. Met al hun ongeremde hebzucht en machtswellust zijn zij de moderne slagers van Engeland.

Ongezond voedsel

De eerste hoofdstukken over de Winshaws blijken te zijn geschreven door hun biograaf, de eenzame schrijver Michael Owen, die op verzoek van de hoogbejaarde en krankzinnig verklaarde Tabitha Winshaw, aan een familiegeschiedenis is begonnen. Owen is een kleine man in een kleine wereld, wiens leven, zo blijkt gaandeweg, indirect gruwelijk te lijden heeft gehad onder de machinaties van de Winshaws; zijn bemoeienissen met de familie blijken onderdeel van een detective-achtige intrige. Door zijn verhaal analoog aan dat van de Winshaws te laten vertellen - door Owen zèlf, zodat wordt gesuggereerd dat hij het verzint - legt Coe de verbanden bloot tussen de machthebbers in Engeland en de mensen die ongezond voedsel voorgeschoteld krijgen, elementaire sociale voorzieningen missen en dagelijks worden bestookt met een offensief van politieke retoriek.

De schrijver Coe bezit een gewiekst gevoel voor vorm; hier en daar doet hij aan Julian Barnes denken. Zijn pastiches van de columns van Hillary Winshaw zijn pijnlijk raak (begin jaren tachtig: 'So lay off Saddam. I say he's a man we can do business with.' Aan de vooravond van de Golfoorlog: 'There can be no doubt about it: the time for moral fudging is over; the time for action is here.'). Ook met het politieke jargon van Henry en de cynische kunsthandelaarspraat van Roderick kan hij satirisch uitstekend uit de voeten.

De slechterikken hebben onmiskenbaar de beste teksten in What a Carve Up!

. Dat veroorzaakt het averechtse effect, waarmee iedere bedreven satircus te maken krijgt: de Winshaws winnen onwillekeurig de gunst van de lezer, hoeveel sympathie de schrijver ook investeert in zijn anti-held, het slachtoffer Owen. De persoonlijke neergang van Owen is schrijnend, maar de Winshaws, hoe geconstrueerd ze ook zijn, stelen de show.

In het laatste deel van de roman laat Coe alle obsessies van Owen samenkomen in een pastiche op de ouderwetse, komische griezelfilm What a Carve Up!

, die Owen als jongetje voor de helft heeft gezien en die hem sindsdien niet meer heeft losgelaten (een foto van de blonde, bijna topless actrice uit die film, Shirley Eaton, siert het omslag van de roman). Het scenario van die film dient als leidraad bij zijn wraakoefening op de gehate Winshaws: ze worden een voor een afgeslacht. In zijn hoofd, suggereert Coe.

What a Carve up!

is een verfrissend boek. Verfrissend, omdat Coe laat zien dat de politieke roman niet dood is (en het woord engagement evenmin). Verfrissend ook, omdat hij zich niet bedient van versleten en naiëf sociaal-realisme en niet terugschikt voor de postmoderne dilemma's waarmee een schrijver met politieke betrokkenheid tegenwoordig te maken krijgt. Jammer genoeg mist Coe de stilistische brille van een schrijver als Martin Amis, zodat sommige van zijn groteske personages gevangen blijven in hun twee dimensies. En de eindeloze vormspelletjes worden hier en daar ook wel een beetje vermoeiend wanneer je als oplettende lezer allang door hebt waar de schrijver heen wil. Maar dat hij na vijfhonderd bladzijden zijn doel bereikt staat vast.