Gasunie-affaire op dood spoor

ROTTERDAM, 24 JUNI. De fraude bij het pensioenfonds van de Gasunie, een van de grootste en meest geruchtmakende malversaties van de laatste jaren op de Amsterdamse effectenbeurs, is drieëneenhalf jaar na de ontdekking verzand in een slepend juridische steekspel. De partijen zijn verstrikt geraakt in de kluwen van procedures, onderlinge claims, beslagen en onderpanden.

De Gasunie-zaak markeerde begin jaren negentig een waterscheiding op de Amsterdamse beurs. De financiële schandaaltjes tijdens de hoogtijdagen op de beurs in de jaren tachtig hadden de autoriteiten overtuigd van de noodzaak van strengere regelgeving. In 1989 werd misbruik van voorwetenschap strafbaar, terwijl in 1992 de Wet Toezicht Effectenverkeer (WTE) van kracht werd. De boete van 400.000 gulden die het effectenhuis ACC in 1992 kreeg van de beurs voor de rol in de Gasunie-fraude was ongekend zwaar en alleen vergelijkbaar met de kort ervoor opgelegde geldstraf voor de effectenhandelaar Kooijman in de HCS-zaak. Gasunie en HCS waren het begin van een strengere aanpak door de beurs, die vorig jaar uitmondde in een voorwaardelijke schorsing van de handelaar J. Vermeulen en dit jaar zelfs leidde tot een levenslange schorsing van de directie van het effectenhuis Nusse Brink.

De uitstraling van de Gasunie-affaire begint zo langzamerhand te verbleken in de strijd om de schadevergoedingen. Het pensioenfonds van de Gasunie claimt alles bij elkaar enkele tientallen miljoenen guldens van drie effectenhuizen (ACC, Heerze Effecten en PBI Securities) en van een aantal huidige en voormalige directeuren. In totaal moeten 13 partijen in het beklaagdenbankje verschijnen. De normaal gesproken al langdurige procedures zijn in dit geval extra complex door de gerezen tegenstellingen tussen twee effectenhuizen, de wisseling van het eigendom van de commissionairs en door de aanvalstactiek die het pensioenfonds gekozen heeft.

De affaire begon in december 1990, toen een miljoenenfraude met pensioengeld aan het licht kwam. Een effectenhandelaar die eerst bij ACC werkte en later overstapte naar Heerze pleegde de malversaties samen met de voormalige beheerder van het Gasunie pensioenfonds. De beheerder is begin 1992 samen met de handelaar door de rechtbank in Groningen veroordeeld tot een gevangenisstraf. Het pensioenfonds is een bijna symbolische rechtzaak gestart tegen de ex-werknemer die nauwelijks vermogen heeft.

Het grote geld hoopt het pensioenfonds te incasseren bij de drie effectenhuizen die bij de malversaties betrokken waren: ACC, Heerze Effecten en PBI Securities. Een complicatie is dat ACC en Heerze, waarop Gasunie zich concentreert, ook met elkaar in de clinch liggen. Heerze claimt een eventuele schadevergoeding aan Gasunie weer bij ACC, waar de frauderende werknemers vandaan kwam. Om zeker te zijn dat ACC na een eventuele veroordeling ook werkelijk betaalt, kreeg Heerze begin 1991 al een eerste hypotheek op het pand aan de Keizersgracht van ACC. Heerze kreeg dit voorrecht nadat zij ACC het werken onmogelijk had gemaakt door beslag te leggen op de bankrekeningen bij de Kas-associatie, de bank voor de effectenhandel.

Een jaar later kreeg ook de eigenaar van ACC, de investeringsmaatschappij Modalfa van de financier en textielmagnaat M. Abram, een hypotheek op dit pand als zekerheid voor een extra geldlening aan ACC. Aandeelhouder Modalfa wilde echter ook graag van ACC af. Dat lukte eind vorig jaar dankzij een slimme constructie. De Antilliaanse Orco Bank, die in Nederland niet erkend wordt als bank maar die status graag wil krijgen, wilde ACC wel kopen, maar dan zonder al die claims uit het Gasunie-verleden. Orco nam alleen de activiteiten over van ACC en stopte die in een nieuwe vennootschap. De oude vennootschap ACC bleef, inclusief verkoopopbrengst en claims, in handen van Modalfa.

Afgelopen week stonden ACC, Heerze en het pensioenfonds weer voor de rechter in de strijd om het grachtenpand, dat elke claimhouder graag als zekerheid heeft. Lastig zijn ook de wisselingen in het eigendom van de effectenhuizen. Heerze is eigendom van Integro, een investeringsgroep van Zuidafrikaanse zakenlieden. Bij ACC zijn activiteiten en eigendom gescheiden.

De strubbelingen zijn niet meer dan wapengekletter voorafgaand aan de grote slag. Die kan beginnen als de rechter beslist heeft waar de zaak voorkomt: in Amsterdam, de plaats van de fraude, of in Groningen, waar het pensioenfonds gevestigd is. En moeten de zaken als een geheel worden behandeld, of juist gescheiden? Daarover moet over een half jaar duidelijkheid bestaan. En dan duurt het zeker nog een jaar voordat de zaak bij de rechtbank voorkomt.

De belangrijkste oorzaak van de trage rechtsgang lijkt de gekozen tactiek. Met dertien gedaagden, die ook substantiële bedragen van elkaar claimen en uiteraard allemaal hun zegje willen doen, krijgt elk proces de dynamiek van een groepsproces. Onderhandelingen over een schikking, die alle partijen een hoop tijd, kosten en negatieve publiciteit scheelt, zijn helemaal een illusie. Het pensioenfonds had beter een van de drie effectenhuizen kunnen vervolgen en op basis van dat vonnis de zaak met de anderen moeten schikken. Nu is het een uitputtingsslag waaraan alleen de advocaten verdienen.