Frans schandaal rond besmet bloed inspireert Théâtre du Soleil tot alweer een Wagneriaans drama; Jammerklacht om het eeuwige kwaad in meinedige stad

Voorstelling: La Ville Parjure ou le Réveil des Érinyes van Hélène Cixous door Théâtre du Soleil. Regie: Ariane Mnouchkine. Decor: Guy-Claude François. Muziek: Jean-Jacques Lemêtre. Te zien: Cartoucherie de Vincennes, Route du Champ-de Manoeuvre (métro Château de Vincennes, daarna pendelbus). Eerste en tweede deel: wo t/m vr 19u30. Integrale voorstelling: za 15u30, zo 13u. Res. 00-331-43742408.

Het schandaal is inderdaad verbijsterend. Begin jaren negentig werden de contouren ervan duidelijk, nu zijn al bijna 400 slachtoffers overleden. Het Franse Nationaal Centrum voor Bloedtransfusie keurde in 1985 bloedprodukten goed, waarvan het wist dat zij met HIV (het virus dat aids kan veroorzaken) besmet waren. Economische overwegingen prevaleerden destijds boven de levens van de circa 1200 hemofiliepatiënten die uiteindelijk seropositief werden. De medische massamoord-op-termijn heeft veroordelingen tot deels voorwaardelijke gevangenisstraffen van vier betrokkenen tot gevolg gehad. Door velen eveneens verantwoordelijk gehouden politici, onder wie de socialistische oud-premier Laurent Fabius, zijn buiten schot gebleven.

L'affaire du sang, zoals het schandaal al direct genoemd werd, heeft de schrijfster Hélène Cixous geïnspireerd tot het schrijven van een toneelstuk, voor Ariane Mnouchkines Théâtre du Soleil. Cixous, hoogleraar Vrouwenstudies aan een Parijse universiteit, heeft veertien romans, vijf essaybundels en acht toneelstukken op haar naam staan. Haar bekendste toneelwerk, L'histoire terrible mais inachevée de Norodom Sihanouk, roi du Cambodge (1986), schreef zij eveneens speciaal voor Soleil. Het is een magistraal toneelstuk van Shakespeareaanse lengte en allure, waarin zij aan de hand van concrete, alledaagse situaties en personages en uiteraard van de grillige monarch Sihanouk zelf inzicht verschaft in de hele na-oorlogse geschiedenis van het ongelukkige Cambodja. Het nadien geschreven L'Indiade, ook voor Soleil, over Mahatma Ghandi en de geschiedenis van India, was veel minder geslaagd door het gebrek aan een tot de verbeelding sprekende hoofdfiguur - die had ze van Ghandi althans niet weten te maken.

Nu is er dan La Ville Parjure ou Le réveil des Érinyes: de meinedige, ontrouwe stad of het ontwaken van de Erinyen. De meineed slaat op de leugens van de bij het bloedschandaal betrokkenen en op de misdadigheid van een overheid die haar bevolking juist hoort beschermen. De mythologische wraakgodinnen uit de ondertitel laten de bedoelingen van Cixous niet in het ongewisse. Geboren uit het geplengde bloed van Ouranos, maken zij immers bij uitstek jacht op moordenaars en zeker op degenen die verwanten doden. Maar dat is niet het enige dat Cixous wil tonen in haar stuk; in een korte toelichting bij haar tekst vermeldt ze dat “de gebeurtenissen in dit verhaal (zich) hebben (-) voorgedaan tussen 3500 voor Chr. en het jaar 1993,” en ze tilt daarmee de affaire bij voorbaat op eeuwigheidsniveau. Leiders die hun volk bedriegen zijn van alle tijden.

Zesenhalf uur duurt de enscenering van Ariane Mnouchkine van Cixous' stuk. Het speelt zich af op een door Guy-Claude François ontworpen begraafplaats, een wijde, grijswitte vlakte met sarcofagen, grafstenen met Hebreeuwse en Arabische opschriften, stenen banken en aan weerszijden openingen voor urnen. Daar ook bevinden zich de holen, waar de doden en doodgewaanden, de ten dode opgeschrevenen en de daklozen, de verstotenen en de paria's zich schuilhouden. Want niet alleen de besmetten (het woord HIV of aids valt zes uur lang niet een keer) maar ook anderen zijn slachtoffer van nos mauvais sangs, zoals de apodictische titel van Cixous' voorwoord luidt. Daarin stelt zij dat de angst voor besmetting met het aids-virus “zoals bekend, een antisemitische reflex” is. “Die de mythe van het zuivere bloed aantast” is haar volgende gedachte en dan verbaast het al niet meer dat het wat haar betreft eigenlijk gaat om “angst voor besmetting van bloed met bloed”.

Haar reuzestappen maken van een concreet schandaal een tijdloze metafoor, toepasbaar op het xenofobe Europa van vandaag, dat zij dan ook niet nalaat te noemen. Maar voor saillante, feitelijke details leent een metafoor zich nauwelijks en daarom is het des te vreemder dat zij het leed waaraan Soleil gestalte moet geven wel weer verengt tot één enkele figuur, een moeder van twee hemofiele slachtoffertjes. Die moeder is naamloos en heet La Mère, op zichzelf dus weer wel een belichaming van iets hogers en groters. En dat hogere is het eendimensionale Goede, het Martelaarschap, het Vertrapte en het Zwakke. En in de praktijk van de voorstelling betekent het, helaas: de Jammerklacht.

Net als voor degenen die een sticker op de achterruit van hun auto plakken met de tekst: Pas op, baby aan boord', bestaat er kennelijk ook voor Cixous en Mnouchkine rangorde in leven. Dat is waarom ik al na een half uur een hartgrondige hekel had aan deze moeder, laat staan na zes uur. En aan de twee figurant-kinderen die, in haar dromen, het toneel op komen huppelen en nadrukkelijk schuldeloos spelen met elkaar. Want die akelige suggestie is er daarmee ook: alle andere, oudere slachtoffers van corruptie en racisme, van antisemitisme en van op welke manier dan ook besmet bloed dragen schuld.

Maar misschien tracht Cixous juist het omgekeerde te beweren en zijn de kinderen symbool voor de schuldeloosheid van alle slachtoffers. Ze heeft het sentiment dat ze oproept in elk geval onvoldoende in de hand. Haar ambitie is te groot geweest, of de tijd te kort of het is gewoon niet gelukt deze keer. Het grootste bezwaar is dat La Ville Parjure een vrijwel ononderbroken lamentatie is. Over een drama - maar drama is er niet. Wat van zichzelf een tragedie is en wat 'slechts' ontrafeld hoeft te worden om een adembenemend toneelstuk op te leveren laat ze jammer genoeg ontaarden in een aanklacht. Die meer dan gerechtvaardigd is, maar een toneelschrijver doet er goed aan het 'j'accuse' zelf niet uit te spreken en intussen onontkoombaar in de mond van het publiek te leggen. Dan ontstaat er politiek theater dat geen pamflet is.

Nu niet, nu is er een stuk, waarin op gaat vallen dat de overdrachtelijke paria's slechts visueel behang zijn, waarin de wraakgodinnen ten overvloede en tot vervelens toe met de beschuldigende vinger wijzen, waarin anderzijds de feiten van het schandaal worden afgedaan in een enkele scène, en waarin, niet te vergeten, mannen (in nette zwarte jassen) steevast de boosdoeners zijn en vrouwen (in lompen) steevast de machteloze martelaressen.

Misschien komt het door de onverteerbaar sectarische dramaturgie van het stuk, dat de typische Mnouchkine-stijl me ook ging tegen staan. Of nee, niet de stijl hindert me, maar het gebrek aan ontwikkeling, dat altijd teleurstelt. Opnieuw is er de bestudeerde kostumering, weer dat rudimentaire maar cleane en kale decor en die dito mise-en-scène, weer dat klagende kopstemgeluid, de dikke commedia del'arte-maquillage en de onvermijdelijke dansjes op de riedeltjes van Jean-Jacques Lemêtre. En weer is er die zelfgenoegzame, Wagneriaanse lengte van de voorstelling. Alles ten bewijze van een schandaal, dat zo evident is dat Cixous en Théâtre du Soleil zich de moeite hadden kunnen besparen om aan te tonen dat het een schandaal is. Dat is het, en alle verantwoordelijken zijn intolerabele kille hufters. Des te meer reden, dunkt me, om niet dat na te laten waar het om gaat in het theater: heel precies laten zien hoe het zover heeft kunnen komen en het publiek al is het maar een glimp gunnen in hun brein.