Dilemma's voor 'paars': meer banen, minder groei

DEN HAAG, 24 JUNI. De twee beleidsvarianten die PvdA, VVD en D66 op 17 juni door het Centraal Planbureau hebben laten doorrekenen leveren respectievelijk 62.000 en 72.000 nieuwe banen op. Dat leidt echter niet tot meer produktie en economische groei. Integendeel. Het bruto binnenlands produkt neemt door de plannen van Paars met 0,2 procent per jaar af. Dat is geen rekenfout, maar een systematische uitkomst van planbureau-berekeningen. Ook de verkiezingsprogramma's van PvdA, VVD en D66 leiden weliswaar tot meer banen, maar niet tot meer groei. En het meest succesvolle banenplan van allemaal, dat van de Centraal Economische Commissie - een adviescollege van topambtenaren - levert in vier jaar tijd weliswaar 158.000 personen meer werk op, maar ook 0,3 procent minder groei per jaar. Wat hebben we aan dergelijke banenplannen, vragen onderhandelende politici zich vertwijfeld af, als we er met zijn allen in inkomen door achteruit gaan?

De verwarring is teweeg gebracht door een ambtelijke notitie van 2 A4-tjes die in het informatiecircuit terecht kwam. Het betreft aantekeningen op de achterkant van een sigarendoosje, maar die zijn om die reden niet minder belangrijk. Integendeel. De eerste directeur van het Centraal Planbureau, Jan Tinbergen, rekende na de oorlog alleen maar op sigarendoosjes en nog niet op toetsenborden van computers. Zijn conclusies waren daardoor niet minder belangrijk en gingen in feite over hetzelfde dilemma: lagere lonen en bezuinigingen leiden weliswaar tot lagere kosten voor bedrijven, maar ook tot minder bestedingen en dus vraaguitval. Beide effecten werken tegen elkaar in. In de ambtelijke notitie wordt dat ook met zoveel woorden geschreven. De paarse onderhandelaars hebben het CPB een lastenverlichting op arbeid van 8 à 9 miljard gulden laten doorrekenen en een daling van het financieringstekort met 2 miljard. Als gevolg van de lastenverlichting voor bedrijven dalen de loonkosten volgens het CPB met 0,8 à 1 procent per jaar. Het grootste deel daarvan bestaat uit matiging van CAO-lonen (-0,5 procent in beide varianten). “De lagere contractloonstijging,” zo schrijven de ambtenaren, “leidt tot een vermindering van de koopkracht. Mede als gevolg daarvan daalt de particuliere consumptie in beide varianten met 0,5 procent per jaar. De groei in de werkgelegenheid die optreedt is volgens het CPB onvoldoende om de binnenlandse bestedingen op peil te houden.”

Het mechanisme is bekend, maar relativeert meteen het belang van CPB-berekeningen. De anonieme ambtelijke scribenten vragen zich dan ook af “of niet een groter gewicht zou moeten worden gegeven aan inhoudelijke economische analyse dan toevallige modeluitkomsten.” Wellicht is het een aardig voor de onderhandelaars, zo suggeren deskundigen uit de sociaal-economische wereld, om eens aan de andere kant te beginnen. Eerst zorgen dat er groei komt (bijvoorbeeld door het stimuleren van bedrijfsinvesteringen). Dat leidt vanzelf tot meer belasting- en premie-inkomsten, die gebruikt kunnen worden voor het creëren van banen in de kwartaire sector (zorg, onderwijs), aldus de deskundigen.