De Wetten

De nieuwe Nederlandse vertaling van de Thora is een dik boek geworden van meer dan 600 pagina's. Toch bezit deze vertaling geen notenapparaat en geen register, terwijl ook de inleiding zeer summier is. Het woord vooraf van de vertaalsters Lineke Buijs en Marianne Storm is slechts tweeëneenhalve pagina. En zelfs die tweeëneenhalve pagina bevat nauwelijks harde informatie. Er staan vooral zinnen in als: “Een onmisbaar aspect in de lezing bleek het samen hardop lezen, praten over wat je leest, vragen stellen aan de tekst, aan jezelf, aan elkaar, weer wat verder lezen, tot nieuwe vragen komen en blijven vragen, ook na vijf jaar dagelijks lezen. De vragen veranderen, de inzichten, het horen, jijzelf. Lezen is een dynamisch proces, zoals de tekst een dynamische tekst is. Levend en sprekend, aansprekend, jou aansprekend.”

Vragen, vragen, vragen en niks geen antwoorden. De geestesgesteldheid is wanhopig. Het taalgebruik is slijmerig tutoyerend. Kortom, helemaal zoals je je de moderne theologie voorstelt.

Daarentegen worden een paar simpele vragen niet beantwoord. Wanneer en door wie is de Thora opgetekend? Hoe verhoudt de Thora zich tot het Oude Testament, zoals die bijeen is gebracht in de christelijke Bijbel? Waarom hebben de vertaalsters de h laten vallen en spellen zij Tora in plaats van Thora? Waarom heet Mozes in hun vertaling gewoon Mosje? Kent het Hebreeuws specifieke vertaalproblemen? De vertaalsters geven geen antwoorden en er is evenmin een verantwoording. Er is eigenlijk alleen maar een kale tekst.

Toch levert deze aanpak onverwachts ook een voordeel op. Hier ligt de Thora, de wet van Mozes, van Moos of Mosje, hoe je hem ook wilt noemen. Mosje heeft de wetten van God gekregen. Mosje heeft de wet doorgegeven aan zijn volk. Het volk kreeg die wetten indertijd ook zonder een inleiding en een verantwoording. Rabbijnen en theologen hebben zich pas later over de wetten ontfermd.

Het is een aantrekkelijk idee om jezelf te verplaatsen in de positie van een heiden. De namen van Mozes en Christus zeggen je niets. Dat er een paus bestaat, weet je niet en een kerk heb je nooit van binnen gezien. Je zit in de tram en op de stoel voor je ligt een boek dat door iemand is achtergelaten. Laten we aannemen dat het boek de Thora is. Je begint te lezen. Wat voor indruk maakt zo'n boek?

Het begint als een sprookjesboek. De figuren zijn honderden jaren oud, maar niettemin kunnen zij tot op hoge leeftijd nageslacht voortbrengen. Soms is er een verkleedpartij, waarbij de ene broer de andere broer belazert. Wat begint als een idylle, wordt gaandeweg een nachtmerrie van wreedheden. Dan komt er een rechter, die zo machtig is dat niemand zijn naam durft te noemen. Geen mens heeft die rechter in levenden lijve gezien, maar toch weet iedereen dat hij bestaat.

De rechter wil graag orde en rust en om dat doel te bereiken huurt hij een politiecommissaris in. De rechter geeft de politiecommissaris een wetboek van strafrecht en een wetboek van strafvordering. Er staan vreemde dingen in die wetboeken. Er staat bij voorbeeld in dat de klipdas een onrein dier is, dat niet gegeten mag worden. De man of de vrouw in de tram vraagt zich af wanneer hij of zij voor het laatst een klipdas heeft gezien. De lammergier, de wouw, de kiekendief, de struisvogel, de haas en de paling zijn eveneens verboden voedsel, maar treksprinkhanen mogen wel genuttigd worden. De man of de vrouw in de tram gruwt, als hij dit leest en hij vraagt zich af of hier sprake is van willekeur.

Het aantal geboden en verboden loopt in de duizenden. De man of de vrouw in de tram vraagt zich af hoe hij al die geboden zou moeten naleven. Sommige straffen zijn draconisch. De dief wordt geslagen en gaat dood, staat er. Hetzelfde geldt voor de man die slaapt met de vrouw van zijn vriend. Mensen met een gebrek - blind, hinkend, met een gespleten neus of met beschadigde teelballen - worden uitgestoten. Ongestelde vrouwen zijn onrein en mogen tot de avond niet worden aangeraakt.

De heiden in de tram blijft de hele dag in de tram zitten lezen. Dan trekt de heiden zijn of haar wenkbrauwen op. Tenminste, dat vermoed ik.