De Vries blijft tegen sterke verlaging sociale uitkeringen; 'Na 12 jaar van bevriezing en verlaging is de grens bereikt'

DEN HAAG, 24 JUNI. Hoe grondig de ingrepen in de sociale zekerheid in Nederland volgens de Oeso ook moeten zijn, minister B. de Vries van sociale zaken en werkgelegenheid ziet niets in een drastische verlaging van de sociale uitkeringen om de verstoorde verhoudingen op de arbeidsmarkt te herstellen.

“Na twaalf jaar van verlagingen en bevriezingen van uitkeringen lijkt me de grens bereikt, ook al omdat het minimumloon steeds lager is geworden in vergelijking met het gemiddelde loon. Ik zie geen enkele coalitie met voorstellen komen om de netto-uitkeringen nog eens met 10, 15 procent te verlagen.”

Ontspannen, maar niet voldaan beziet de bewindsman van CDA-huize hoe het politieke landschap in Nederland momenteel wordt verkaveld. Voor het eerst sinds twaalf jaar heeft hij er geen enkele invloed op. De Vries verkeert in de zelfgekozen zekerheid dat, welke coalitie ook gaat regeren, hij er geen deel van zal uitmaken. Dat de situatie hem toch onrustig maakt, heeft te maken met de mogelijk lange duur van zijn demissionaire status die hem tot betrekkelijke passiviteit dwingt. “Dat is niet goed voor het land en niet goed voor de persoon.”

Wie de jaarlijkse Oeso-jurering van het Nederlandse sociaal-economisch beleid tot zich laat doordringen, ontkomt niet aan het gevoel dat er weinig tijd te verliezen is. De Oeso zelf stelt vast dat haar suggesties om arbeidsmarkt en sociale zekerheid te moderniseren in lijn zijn met maatregelen die al door de Nederlandse regering zijn voorgesteld of in overweging genomen. “Het rapport is in belangrijke mate een ondersteuning van ons beleid”, stelt De Vries vast, “met hier en daar een aansporing om een paar stapjes harder te lopen.”

Niet een verlaging van de uitkeringen, maar een vergroting van het verschil tussen uitkeringen en lonen moet volgens De Vries de prikkel worden om werken voor uitkeringsgerechtigden aantrekkelijker te maken. Hij omarmt de voorstellen van de door hem zelf ingestelde Commissie-Andriessen die langs fiscale weg iedere werkende er netto 200 gulden op vooruit wil laten gaan. “Die prikkels hebben we nodig in combinatie met een steviger, activerender beleid. Sancties, daar ben ik sterk voor. Maar je hebt beide typen maatregelen nodig: push en pull.”

Anders dan de Oeso gelooft De Vries niet dat de hoogte van het minimumloon een verstorende factor is op de arbeidsmarkt, die de lonen voor de laag-opgeleiden heeft opgestuwd. “De Oeso rekent zelf voor dat het minimumloon vroeger 70 procent van het gemiddelde loon bedroeg en nu nog maar 60 procent. Dat is toch een behoorlijke vergroting van het verschil. Wat ze wel signaleren is dat de laagste lonen gemiddeld 20 procent boven het minimumloon liggen. Dat is een argument om te stoppen met het algemeen verbindend verklaren van CAO's.”

En daarmee komt de minister op voorstellen in het Oeso-rapport die bekend in de oren klinken: de versoepeling van het ontslagrecht bijvoorbeeld en, als gememoreerd, het afschaffen van het algemeen verbindend verklaren van CAO's. Dit systeem heeft de lage loonschalen die voor de laagst-opgeleiden op de arbeidsmarkt zo hard nodig zijn, vrijwel gesaneerd. De Vries heeft in zijn werkgelegenheidsnota vorig jaar soortgelijke voorstellen gedaan, maar kreeg er bij zijn coalitiepartner PvdA geen warm onthaal voor en dus geen steun van een parlementaire meerderheid. “Maar er is wel een parlementaire meerderheid die vindt dat het anders moet gaan met het algemeen verbindend verklaren. Als die er nog eens over na gaat denken, komt ze, denk ik, tot dezelfde conclusie als ik: het is met het algemeen verbindend verklaren een kwestie van alles of niks. Oke, de goeie doelen, kun je algemeen verbindend verklaren, maar verder niet.” Zo heeft De Vries weinig vertrouwen in de suggestie van de PvdA om CAO's wel aan een bedrijfstak op te leggen, mits er voldoende lage loonschalen in voorkomen. “Dan kom je al gauw op de vraag: hoe laag dan en ga je je als overheid direct met de inhoud van de CAO's bemoeien.”

Toch heeft recent onderzoek van zijn eigen ministerie uitgewezen dat ook onder werkgevers nauwelijks belangstelling bestaat voor het instellen van loonschalen op of iets boven het minimumloon. “Ja, daar zie je aan dat de belangrijke gespreksthema's in Den Haag lang niet altijd ook de gespreksthema's in de bedrijven zijn. Ik denk dat heel veel werkgevers redeneren: ik betaal liever iemand die gemotiveerd is wat meer dan dat ik een 'probleemgeval' met een lage loonschaal in dienst neem.” Maar opnieuw vestigt De Vries zijn hoop op de voorstellen van oud-minister Andriessen c.s.: als de werkgever ontdekt dat hij de werknemer bruto minder kan betalen en deze er netto toch 200 gulden op vooruit gaat, “zal hij daar bij de eerstvolgende vacature rekening mee houden”.

Andermaal heeft de Oeso in haar rapportage gewezen op het grote aantal arbeidsongeschikten in Nederland en de regering gemaand niet slechts tevreden te zijn met de stabilisatie daarvan, die zich op dit moment lijkt voor te doen, maar aan te koersen op een drastische vermindering. De onderhandelaars die een 'paarse' coalitie tot stand trachten te brengen, worstelen met de vraag of nu al nieuwe maatregelen nodig zijn of dat de resultaten van de eerder doorgevoerde wetswijzigingen moeten worden afgewacht. Het is een herkenbare discussie voor De Vries, al laat hij niet na te zeggen “dat wij met stabilisatie meer hebben bereikt dan enig kabinet voor ons”. Hij wijst op de onzekerheid van de prognoses en zegt dat het “buitengewoon riskant is”uit de ontwikkelingen in de eerste maanden van dit jaar conclusies voor de komende jaren te trekken. De WAO was een permanente splijtzwam in het nu nog zittende kabinet. Als een nieuwe coalitie kiest voor voorlopig afwachten, “dan moet dat in combinatie met helderheid over wat je daarna wilt doen”, vindt De Vries. “Want anders, als de cijfers niet meevallen, krijg je een kanjer van een conflict.”

De Vries beziet de Oeso-rapportage bij voorkeur in relatie tot de drie kabinetten-Lubbers waarmee hij te maken heeft gehad en stelt dan vast “dat we vanaf 1982 heel redelijk gescoord hebben”. Dat geldt zowel voor het budgettaire beleid, de wisselkoers, maar ook de werkgelegenheid. “In geen land is de werkgelegenheid zo sterk gegroeid als in Nederland. Maar het aantal mensen dat van een uitkering leeft is ook sterk blijven groeien. De verhouding daartussen is niet echt verbeterd.” Hij voelt zich gesterkt door de aanbevelingen van de Oeso. Helemaal toevallig is dat niet. “De Oeso is een autoriteit en beseft dat zelf ook. Departementen steken daarom tamelijk veel energie in de contacten met de Oeso. Ze zijn erop gebrand dat hun opvattingen redelijk in de rapportages tot uitdrukking komen.”