De reanimatie van de afgelegde dingen; Nicolaas Matsier en de wondere wereld van kluiveduikers en knipperbollen

Drie jaar geleden vroeg de redactie van het literaire tijdschrift Raster vijftig auteurs naar voorwerpen of opvattingen die waren verbonden met een 'vergeten woord'. De artikelen zijn nu gebundeld in het Vergeetwoordenboek, een schatkamer zonder weerga. “Het vergeetwoordenboek moest een eye-opener zijn. Wij wilden dat het boek de lezer een kader zou geven, een contour van wat hij zelf kan denken”, zegt Nicolaas Matsier, een van de auteurs.

Nicolaas Matsier e.a. (red.): Vergeetwoordenboek. Uitg. De Bezige Bij, 220 blz. Prijs ƒ42,50.

Nicolaas Matsier: Gesloten huis. Uitg. De Bezige Bij, 264 blz. Prijs ƒ39,50.

Nieuwe woorden, die van het ene op het andere jaar in een woordenboek terechtkomen, kunnen tegenwoordig op de nodige aandacht rekenen. Bij elke volgende druk van de Van Dale lezen we in de krant over de neologismen die nu weer een plaatsje in het heilige der heiligen hebben bemachtigd. Maar wie let er ondertussen op de verdwenen woorden? Nu de geboorte-aankondigingen van woorden zo goed zijn geregeld, wordt het ontbreken van in memoriams een schrijnende zaak. Zou er in Nederland niet een instantie moeten komen die in woordenboeken, kranten en televisieprogramma's bijhoudt welke woorden in onbruik zijn geraakt?

De redacteuren van het literaire kwartaalschrift Raster besloten drie jaar geleden een bescheiden begin te maken met deze naar hun idee verwaarloosde taak. Ze vroegen vijftig auteurs om in korte stukjes in onbruik geraakte 'dingen' tot leven te roepen: voorwerpen of opvattingen die waren verbonden met een 'vergeten woord'.

Het Vergeetwoordenboek dat in 1992 als de 58ste aflevering van Raster verscheen, werd onmiddellijk een succes. Hoewel het boekje alle kenmerken had van een gelegenheidsuitgave - rijp en groen door elkaar heen, veel overlapping en belangrijke woorden die vergeten waren, echt vergeten - was hier kennelijk een gevoelige snaar geraakt. Het nummer moest binnen twee weken worden herdrukt, wat het doorgaans als vrij saai en gedegen bekend staande blad nog nooit eerder was overkomen. Deze week ligt er al een derde druk in de boekwinkel. Nu niet meer als tijdschrift, maar als volwaardig boek, een dikke, volwassen ogende, gebonden editie die aanmerkelijk meer bevat dan de eerste twee versies van 1992.

Wat begon als een inval van de redactie lijkt daarmee uit te groeien tot een heus instituut. Naast de vijftig eerder aangezochte auteurs zijn nog eens dertig anders medewekers benaderd, die gezamenlijk zo'n tweehonderd bladzijden volschreven over de wondere wereld van gloeikousjes, kluiveduikers, snotlappen, knipperbollen en - mijn favoriete vergeetwoord - mica. Het Vergeetwoordenboek is daarmee een schatkamer geworden zonder weerga. Lees bijvoorbeeld wat de dichter H.H. ter Balkt schreef over zoiets eenvoudigs als het mica-plaatje: “Het plaatje mica was een vrolijk venstertje op het ruwe, laatste maar getemde vuur; dat was toen de schoorstenen de laatste schildwachten waren, en niet alleen van de daken. Een onzichtbaar schild beschermde nog de magie van het landschap, het was dat van de mildheid, dunner dan mica; van de onschuld, van het geloof.”

Ontruimen

Eén van degenen die drie jaar geleden de aanzet leverden voor het bijzondere Raster-nummer is de schrijver Nicolaas Matsier (1945). In het (concurrerende) tijdschrift Tirade publiceerde hij in die tijd een reeks opvallende proza-fragmenten waarin hij terugging naar het grotendeels verdwenen Den Haag van zijn jeugd. Voor de Raster-redactie, waarvan Matsier deel uitmaakt, waren de teksten aanleiding om een heel nummer te willen vullen met dit soort herinneringen. Er zat, zo vond de redactie, veel meer in het thema dan Matsier er in zijn eentje, in zijn persoonlijke herinneringen, uit kon halen.

Voor Matsier zelf vloeide uit de reeks in Tirade bovendien nog iets anders voort. Hij bewerkte de fragmenten tot het boek Gesloten huis - Zelfportret met ouders, dat twee maanden geleden verscheen. In deze, sterk autobiografische, roman (besproken in het Cultureel Supplement van 1 april) beschrijft Matsier hoe iemand na de dood van zijn moeder teruggaat naar zijn ouderlijk huis. Hij heeft op zich genomen haar huis te ontruimen, en merkt hoe de ogenschijnlijk onbenullige voorwerpen die hij vindt, hevige emoties bij hem oproepen. Hij voelt zich gedwongen zijn hele leven tot op dat moment te overzien, roept in korte fragmenten de belangrijkste scènes en episodes uit zijn verleden op, en stuit zo op een periode van waanzin die hij nooit goed heeft verwerkt.

De roman Gesloten huis werd zo mogelijk nog enthousiaster ontvangen dan het Vergeetwoordenboek. Voor sommige lezers moet het boek herinneringen hebben opgewekt aan hun eigen omgang met hun ouders. Voor anderen moet het vooral intrigerend zijn geweest te zien welke richting de schrijver Matsier insloeg. Na twaalf jaar waarin hij, literair gezien, praktisch had gezwegen leek er plotseling een nieuwe Matsier opgestaan die veel toegankelijker was dan vroeger: concreter, bewegelijker, essayistischer, en vooral ook veel autobiografischer dan in zijn eerdere werk.

In zijn eerste verhalenbundels Oud Zuid (1976) en Onbepaald vertraagd (1979) probeerde Nicolaas Matsier als een goed Revisor-schrijver (hij was jaren redacteur van dit tijdschrift) nog elke verwijzing naar de herkenbare werkelijkheid te ontlopen. Hij verborg zich zorgvuldig achter een pseudoniem en produceerde in zichzelf gesloten systemen waarin je niets van de schrijver mocht herkennen. Zo herinner ik me uit die tijd een korte discussie in het tijdschrift Propria Cures. Matsier betoogde daarin tegenover een inzender die de locatie van één van zijn verhalen had achterhaald dat er in zijn literatuur maar één werkelijkheid bestond, die van het verhaal. Alles moest in die orthodoxe jaren 'de verbeelding' dienen.

In Gesloten huis is die striktheid doorbroken. Er is geen twijfel meer mogelijk op wie het boek is gebaseerd en waar het speelt. Matsier treedt er voor het eerst in op onder zijn eigen naam (Tjit Reinsma) en hij geeft nauwkeurig de adressen aan waar hij in zijn leven heeft gewoond. Het verhaal is nog altijd een constructie, daarvoor is het nu eenmaal een verhaal, maar nu is het nadrukkelijk een constructie van het eigen leven, een reconstructie 'met de grootst mogelijke precisie' zoals hij het noemt. Openhartig, er is geen ander woord voor, beschrijft hij bijvoorbeeld de gênante roepnaam ('Piel') die zijn vader binnen het gezin heeft gehad. Zonder schaamte gaat hij in op de artistiek verantwoorde maar erg modegevoelige foto's die zijn moeder tijdens haar vakantiereizen maakte. En, het meest openhartige van al, hij doet uitvoerig verslag van de periode van waanzin die hij kennelijk heeft meegemaakt. Gesloten huis is, letterlijk, een van de meest onhullende boeken die er in jaren zijn verschenen.

Glanstijd

Op een doordeweekse ochtend in het archief van zijn uitgever De Bezige Bij, probeer ik met de schrijver te achterhalen waar zijn plotselinge doorbraak vandaan komt en wat er achter de omslag in zijn benadering zit. Waarom heeft hij twaalf jaar bijna niets geschreven? Was hij vastgeraakt in de misschien wat al te starre en steriele benadering die de Revisor-redactie in zijn glanstijd voorstond en vond hij een uitweg via de autobiografie? Of was er een concrete aanleiding, de dood van zijn ouders, die hem op een andere, vruchtbaarder thematiek bracht?

Hij geeft, zonder ze bij naam te noemen, toe dat factoren in zijn persoonlijke geschiedenis een belangrijke rol zullen hebben gespeeld bij het schrijven van de roman. Het boek, dat eindigt met een typografisch dodenkruis, is te lezen als een eerbewijs aan zijn ouders. Aanvankelijk, zegt hij, was hij nog van plan er wat meer fictie van te maken, maar daar is hij gaandeweg vanaf gestapt. “Er was me veel aan gelegen om niets meer te transformeren. Ik had mijzelf vroeger al eens onteigend door me van een pseudoniem te voorzien, waardoor het was alsof ik uit het familieverband was getreden. Ik vond het te ver gaan om nu ook nog mijn ouders te gaan onteigenen. In Gesloten huis ben ik in dit opzicht tot het uiterste gegaan.”

Even belangrijk voor zijn omslag zijn volgens Matsier echter zijn materiële omstandigheden geweest. Die zijn de laatste jaren sterk veranderd. In de jaren tachtig is Matsier vooral uit financiële overwegingen als redacteur voor De Bezige Bij gaan werken. Hij had daardoor nog maar weinig gelegenheid voor zijn eigen werk. Hij verwijt dat De Bezige Bij niet. Hij had er zelf voor gekozen. “Ik was erg beducht, als gezinshoofd. Ik was niet zo'n zelfbewuste schrijver dat ik dacht: ik red mij wel in de omstandigheden.” Matsier vond de verantwoordelijkheid voor zijn kinderen zwaar wegen, en verlangde ook wel naar een echte baan van negen tot vijf, waar hij elke morgen 'in driedelig pak' heen zou kunnen gaan.

Hij leed in die jaren onder een soort permanente schrijfkramp. Hij was, zegt hij zelf, in zekere zin verlamd. Wanneer hij iets wilde schrijven was hij zich zo hyper-bewust van wat hij deed dat er niets van terecht kwam. “Ik was meteen mijn eigen eindredacteur.” Zodra hij één woord op het papier had gezet, had hij de neiging om het snel weer weg te halen.

Bluf

Het waren de computer en de stimulansen van de bevriende Tirade-redactie die hem na zijn vertrek bij De Bezige Bij uiteindelijk uit deze impasse bevrijdden. Matsier had aan Tirade aangeboden om een jaar lang eens in de twee maanden een stuk in te leveren. Hij had dat vooral gedaan uit bluf, zegt hij nu. Hij wilde graag deadlines hebben, om zo gedwongen te worden eindelijk eens iets af te maken. Hij was al geruime tijd bezig fragmenten over zijn verleden in zijn computer in te voeren en zocht naar een excuus om ze tot publiceerbare stukken samen te voegen. “Mijn afspraak met Tirade gaf iets genadeloos aan mijn schrijven. Het dwong me risico's te nemen, en te berusten in wat het toeval me onder druk opleverde.”

Zonder Tirade was het boek nooit geschreven, weet hij. In de oorspronkelijke stukken is naderhand nog veel veranderd en toegevoegd, maar de eerste barrière, die naar het publiek, was genomen. “Tirade was het proefstation voor Gesloten huis. Ik heb eerder pogingen gedaan om die gekte van mij, zoals ik het nu maar noem, literair aan te pakken. Ik wilde al veel langer een autobiografisch boek schrijven over mijn jeugd door de bril van de waanzin, maar het mislukte steeds weer. Vaak was ik lekker aan het werken, maar dan sneeuwde het telkens weer dicht.”

We praten over de verwantschap tussen de roman en het Vergeetwoordenboek. Hoewel beide in dezelfde tijd uit dezelfde nieuwsgierigheid zijn ontstaan, zijn er ook verschillen. Het meest in het oog springend is natuurlijk dat de roman het werk is van één persoon terwijl voor het woordenboek een zo groot mogelijk aantal auteurs is gevraagd. Dat heeft zijn gevolgen gehad voor de stijl en de inhoud. Waar de roman het moet hebben van zijn concentratie, zijn opbouw en de allesoverheersende persoonlijke toon die er uit spreekt, komt het bij Vergeetwoordenboek aan op de ongeordendheid. Het gaat vrolijk en ongeremd alle kanten op, zodat er een ratjetoe ontstaat van stijlen, invalshoeken en lengtes. Er staan woorden in met korte omschrijvingen, (ankerstenen, duimen, fröbelen, Polygoonjournaal, de laatste met als karakteristiek: 'Stem van Philip Bloemendaal'), verhalen (over missiebootjes en hondekarren), moppen, herinneringen (aan het harmonium), essays (over de afgelikte boterham), en zelfs, van Hans Tentije, een gedicht. Sommige schrijvers beschrijven ook de verschuivingen die in betekenissen kunnen optreden. Zo laat Reinold Kuipers zien hoe het woord oubollig zijn oorspronkelijke betekenis in de loop der jaren kwijtraakte.

Matsier: “Het vergeetwoordenboek moest een eye-opener zijn. Wij wilden dat het boek de lezer een kader zou geven, een contour van wat hij zelf kan denken. Als we daar een strakke systematiek op hadden losgelaten, hadden we het bedorven. Als we het zuiver cognitief hadden gedaan, was het veel te saai geworden. Vergelijk het met een leerling die een compleet boek voor zijn neus krijgt, in plaats van vragen die zijn blik scherpen. Pas door met een goed geslepen pen te schrijven, en er een eigen vorm voor te bedenken, hebben de medewerkers het een Terug naar de Verloren Tijd in het klein gemaakt.” De medewerkers werden in de opdrachtbrief vrij gelaten in hun aanpak. Er mochten ideële dingen in, iets concreets, maar ook geuren of geluiden. Matsier: “Het ging ons om de reanimatie van de afgelegde dingen. Veel dingen nemen voortdurend een einde, en verdwijnen uit de taal zonder dat iemand het merkt. Wij wilden dat mensen eens flink in hun geheugen gingen rondkijken om daar een soort archeologie te bedrijven.”

Gouden pennen

Wie de index aan het eind overziet, moet tot de conclusie komen dat de meeste vergeten woorden uit de jaren vijftig stammen. Dat is ook niet zo vreemd. Veel medewerkers die zo te zien uit de kennissenkring van de redacteuren zijn geplukt, beleefden toen hun gouden jaren. Matsier: “Je komt bij zo'n opdracht natuurlijk al snel uit op je jeugd. Vandaar al dat schrijfgerei uit die tijd: de kroontjespennen, de inktlappen, de stencils, het vloe.” Bij oudere lezers kan het Vergeetwoordenboek daardoor reminiscenties oproepen aan de tentoonstellingen van de Stichting Jeugdsentiment Jaren Vijftig (1967) en het Groot Gedenkboek Jaren Vijftig (Thomas Rap, 1968), illustere ondernemingen van de Propria Cures-redacteuren Wim Noordhoek, Jan Donkers en Rogier Proper. Ook zij inventariseerden ooit, onder het beschermheerschap van kroonpennen-fanaat Gerard Reve, de woorden en begrippen die aan de jaren vijftig hun grijze kleur gaven. Een verschil met de Raster-redactie is echter dat zij het vijfentwintig jaar geleden al deden.

Ik vraag Matsier hoe hij indertijd op de cultus van het 'jeugdsentiment' heeft gereageerd. Had hij toen al die belangstelling voor de jaren vijftig van zijn jeugd? “Ik vond het waarschijnlijk iets te voortijdig. Die mensen waren er merkwaardig snel bij, maar het was alsof ze in snel tempo oud waren geworden. Het was mij iets te veel gecultiveerd, het werd erg koket. Het waren toch tamelijk jonge heren die toen al op hun jeugd begonnen terug te zien.” Om een goede blik op een periode te hebben moet deze volgens Matsier eerst een tijdje achter de rug zijn. “Als er niet wat perspectief wordt aangebracht, is het niet interessant. Dat geldt eigenlijk voor alles wat tendeert naar geschiedschrijving. Er moet veel doodgaan van een tijd, wil je in de restanten ervan geïnteresseerd zijn. Overvloed is ook niet interessant. Dingen moeten eerst hun eigen schaarsheid gaan vertonen.” Later vertelt hij dat hij in het tijd van de Stichting Jeugdsentiment waarschijnlijk nog te veel bezig was met 'vergezichten en de verre toekomst' om onbekommerd terug te kunnen kijken. “Ik heb me heel lang geschaamd voor mijn jeugd, voor het kleinburgerdom waar ik uitkwam. Ik ontkende dat bij het leven en probeerde me aan mijn jeugd te onttrekken. Ik wilde die sporen juist uitwissen. Je gaat weg, je probeert iets achter je te laten, ongedaan te maken. Je wil niet op je achtergrond lijken, je wilt daar ontrouw aan worden.” Matsier vermoedt dat de mensen die zich in de jaren zestig bezig hielden met het jeugdsentiment waarschijnlijk een veel gelukkiger jeugd hebben gehad dan hij. “Zij wilden dat continueren. Maar wie recht kan doen gelden op een ongelukkige jeugd, opereerde zoals ik.”

Besmettelijk

Wie Gesloten huis en het Vergeetwoordenboek leest, zal merken dat de methode besmettelijk is. Matsier vindt dat een mooi resultaat. “Als je eenmaal met deze blik om je heen kijkt, word je door steeds meer getroffen. Het genereert dat je dingen ziet die er ook in zouden kunnen. Het scherpt de blik voor wat op het punt van verdwijnen staat.” Hij noemt het woud van televisieantennes dat twintig jaar geleden nog elk huizenblok sierde. Het spionnetje in de volkswijken, waardoor je kon zien wie er voor de deur stond. Tijdens ons gesprek stapelen de voorbeelden zich op. “Het echtpaar op de bromfiets, met bromfietshelmen op, en lange leren jassen aan, die zijn ook uit het straatbeeld weg. Dat ze er niet meer zijn, stel je nooit vast. Totdat je op een gegeven moment een oude foto in handen krijgt en denkt, god ja, dat had je toen.”

Het tragische aan het vergeetwoordenboek, dat beseft Matsier ook wel, is dat de echt vergeten woorden er toch nooit in zullen komen. Niemand zou ze nog als zodanig herkennen. Woorden worden pas vergeetwoorden op het moment dat ze door het woordenboek aan de vergetelheid worden ontrukt. In het Vergeetwoordenboek citeert de musicoloog Elmer Schönberger bij het lemma 'vergeten' de volgende veelzeggende mop:Violist: 'Je kunt wel merken dat we zijn vergeten wat Ravel in 1918 al zei.'

Cellist: 'Wat zei Ravel dan?'

Violist: 'Dat zijn we dus vergeten.'