De hemel is zijn domein; De raadsels van Mondriaans molens

Met de tentoonstelling Mondriaan en Molens in het Museum voor Religieuze Kunst is in het Brabantse dorp Uden een Mondriaankermis losgebroken die hopelijk niet maatgevend is voor wat de Stichting Mondriaanjaar 1994 nog meer in petto heeft. Het museum liet de gelegenheid voorbij gaan om de mysteries op te lossen waarmee verschillende van Mondriaans molendoeken nog altijd omgeven zijn.

De expositie Mondriaan en molens in het Museum voor Religieuze Kunst, Vorstenburg 1 in Uden en de exposities Fotografen ontmoeten Mondriaan en De rode wolk, 17 prenten voor Piet Mondriaan in de Pronkkamer, Mondriaanplein 16 te Uden. T/m 28 aug. Di t/m 10-17u, za en zo 13-17u.

Met de zorgvuldig voorbereide tentoonstelling Mondriaan aan de Amstel, die dit voorjaar werd gehouden in het Amsterdamse Gemeentearchief, begon het Mondriaanjaar 1994 op een ingetogen en waardige wijze. Uit het werk dat Mondriaan tussen 1892 en 1912 in en om Amsterdam had gemaakt, was een representatieve keuze te zien en de uitvoerige catalogus bevatte veel nieuwe inzichten en gegevens over zijn Amsterdamse periode. Dat het ook anders kan, blijkt in het Brabantse dorp Uden, waar ter herdenking van het jaar dat hij hier verbleef, het jaar 1904, een complete Mondriaankermis is losgebroken, met alle kitsch en hoempa die daar bijhoort.

Anders dan de expositie in Amsterdam, die geheel door het Gemeentearchief werd georganiseerd, kwam de manifestatie in Uden tot stand in samenwerking met de Stichting Mondriaanjaar 1994, waarvan Frits Becht directeur is. Het Mondriaanjaar was een initiatief van het Nederlands Bureau voor Toerisme. Dat een dergelijk project veel toeristen naar Nederland kan lokken, bewees in 1990 het Van Goghjaar. Maar wanneer toeristenorganisaties kunst als trekpleister gebruiken dan is het volgens Frits Becht wel noodzakelijk dat er iemand in de organisatie zit 'die de taal van de kunst spreekt', zoals hij onlangs in het Brabants Dagblad opmerkte. De Stichting Mondriaanjaar 1994 wil zoveel mogelijk activiteiten op één lijn brengen en daarbij letten op de details. Zo is binnen het sponsoroverleg afgesproken om, in de woorden van Becht, 'samen te werken op basis van goede smaak.' De betekenis van Mondriaans gedachtengoed te achterhalen, ziet hij als het voornaamste doel van het Mondriaanjaar.

In Uden is de door de Stichting Mondriaanjaar gepropageerde 'goede smaak' ver te zoeken en ook aan de overige verheven doelstellingen wordt hier niet voldaan. Het zou aardig zijn wanneer bij dergelijke manifestaties in de toekomst Becht er eens buiten werd gelaten en de leiding bij een meer ter zake kundige werd gelegd. Frits Becht schroomt niet om te orakelen dat het Udense jaar van Mondriaan 'cruciaal is geweest voor zijn ontwikkeling.' Hoezo 'cruciaal'? Uit zijn toenmalige werk valt dat niet op te maken, integendeel.

Voor de Udense manifestatie koos de Stichting Mondriaanjaar de 'molen' als uitgangspunt omdat, zegt Becht, Mondriaan in Uden de molen schilderde. Mondriaan schilderde ook molens aan het Gein, in Zeeland en in Blaricum. Een expositie van zijn molens, of die nu in Uden of elders plaatsvindt, lijkt geen slecht idee. Het hangt er natuurlijk wel vanaf hoe zo'n expositie is opgezet.

Horloges

De Udense kermis begint op het Mondriaanplein. Hier staan drie reusachtige kubussen opgesteld, beschilderd met abstracte Mondriaanpatronen en met een lijst van sponsornamen. Vlak achter de kubussen prijkt in een etalage van de Pronkkamer Uden een groot keramisch nabaksel van Mondriaans kubistische schilderij Bloeiende appelboom uit 1912 naast een maquette van de Udense molen die hij in 1904 schilderde. Binnen passeert de bezoeker, voor hij de expositie bereikt, wanden en vitrines vol Piet Mondriaan-prullaria, van molentekeningen en -bouwplaten tot Mondriaanhorloges, -tasjes en -wijnen.

Behalve een serie portretfoto's van Mondriaan die eerder dit jaar te zien was in Winterswijk, hangen in de Pronkkamer als een 'hommage aan Mondriaan' zeventien zeefdrukken, in opdracht van de gemeente Uden gemaakt door Nederlandse kunstenaars. De prenten illustreren vooral dat Mondriaan voor hedendaagse beeldende kunstenaars kennelijk geen rijke bron van inspiratie is: de verwijzingen naar zijn werk zijn vaak vergezocht of juist obligaat (het gebruik van primaire kleuren) en soms legt alleen de titel een relatie met Mondriaan. Er zijn enkele verrassende prenten, zoals die van Henk Visch waarop twee clowns zijn oeuvre ten grave dragen, maar over het geheel genomen is het resultaat teleurstellend. Misschien is dit bij een dergelijke opdracht wel onvermijdelijk - een inspiratiebron laat zich nu eenmaal moeilijk dicteren.

De echte publiekstrekker in Uden is niet de tentoonstelling in de Pronkkamer, maar de expositie Mondriaan en Molens in het Museum voor Religieuze Kunst dat gevestigd is in een voormalig klooster van de Zusters Birgittinessen. Tussen zalen vol preekstoelen, wierookvaten, altaarschellen, crucifixen, communiebanken, piëtà's en ex-votokasten is een ruimte vrijgemaakt voor zestien tekeningen, schilderijen en aquarellen van Mondriaan die men helaas genoodzaakt is te bekijken onder luide en niet aflatende koorzang uit een in een belendend vertrek opgestelde bandrecorder.

Mondriaan schilderde in Uden wat hij daarvoor in de omgeving van Amsterdam ook al schilderde: het platteland - boerderijen, vee in de wei of in de stal, hooibergen, molens of bomen -in overwegend donkere kleuren. Zijn Udense periode wordt altijd beschreven als een jaar van retraite waarin hij probeerde te herstellen van een geestelijke inzinking. In Amsterdam zou hij betrokken zijn geraakt bij een groep anarchisten die hem in moeilijkheden brachten toen hij zich van hen wilde distantiëren. Op aandrang van zijn vriend Albert van den Briel, bosbouwkundige in de Peel, week hij uit naar Brabant.

Volgens Van den Briel, die later zijn herinneringen aan Mondriaan op schrift stelde, zag hij in Brabant 'voor het eerst in de diepte van het volk' en was het opmerkelijk dat er een direct contact bestond 'tussen het geboert en Mondriaan'. Maar hij zag het 'geboert' niet als onderwerp voor zijn schilderijen: ook op zijn Udense doeken is nauwelijks menselijk leven te bekennen. Zijn landschappen liggen er even roerloos en verlaten bij als in de jaren daarvoor en daarna het geval was. Van een verandering in zijn manier van schilderen was geen sprake, zoals ook al te zien was in het Noordbrabants Museum dat enkele jaren geleden Mondriaans Udense schilderijen tussen zijn vroegere en latere werk toonde.

Bij de expositie in het Museum voor Religieuze Kunst heeft men duidelijk op twee gedachtes gehinkt. Men wilde een overzicht geven van de molens die Mondriaan in Nederland heeft geschilderd maar men wilde ook enige couleur locale in de expositie brengen, bijvoorbeeld door het ophangen van een Udens landschapje en stalinterieur van Mondriaan en een serie oude Udense ansichtkaarten. Met het molen-thema heeft men hier te hoog gegrepen. Van de veertig schetsen, aquarellen en doeken van molens die van Mondriaan bewaard zijn gebleven, zijn slechts drie houtskooltekeningen, twee aquarellen en zeven schilderijen bijeengebracht. Het aantal is niet alleen te klein om een beeld te geven van Mondriaans visie op deze krachtwerktuigen in de polder, de keuze is belabberd en onbegrijpelijk. De meest intrigerende molendoeken - zoals de Molen bij zonlicht uit 1908 en De rode molen uit 1911 - ontbreken. De expositie voegt niets toe aan de bestaande gegevens over de molendoeken, een catalogus ontbreekt en de summiere informatie bij de tentoongestelde werken bevat verschillende onjuistheden. Mondriaan en molens is een typisch voorbeeld van een amateuristisch in elkaar geflanste tentoonstelling die alleen gemaakt lijkt om 'een graantje mee te pikken' van het Mondriaantoerisme. Zou het niet bij uitstek de taak van een Stichting Mondriaanjaar zijn om dit soort uitwassen te voorkomen? De tentoonstelling is niet alleen een gemiste kans omdat de molen voor Mondriaan zelf een belangrijk motief was, maar ook omdat over verschillende molendoeken nog maar weinig bekend is, er nauwelijks onderzoek naar is gedaan en er nog allerlei onopgehelderde geheimen aan kleven.

Massieve gevaartes

Bij Mondriaans vroege molendoeken is de molen een onderdeel van het landschap: hij staat in de weilanden, aan de oever van een riviertje of, zoals in het Landschap met molen zonder wieken bij de Kostverlorenvaart uit 1898 tussen de huizen van een dorpje bij Amsterdam. Vanaf 1904 brengt hij de molens prominenter in beeld en toont hij minder aandacht voor de omgeving. Bij de verschillende doeken die hij omstreeks 1906 van de Franse molen aan het Gein schilderde, is in het landschap nog wel het een en ander te ontwaren - een bruggetje, weiland en water - en ook de molen zelf is nog min of meer gedetailleerd weergegeven, maar de latere Domburgse en Blaricumse molens staan eenzaam en allesoverheersend middenin het beeld. Het zijn massieve gevaartes die hoog oprijzen in de blauwe of bewolkte lucht. De ontwikkeling in Mondriaans molendoeken is vergelijkbaar met de weergave van zijn kerken: het kerkje van Winterswijk schilderde hij omstreeks 1898 in een krans van huizen, de kerktoren van Domburg uit 1911 duldt niets meer om zich heen en domineert het hele beeld, net als bijvoorbeeld de vuurtoren van Westkapelle die hij in hetzelfde jaar schilderde.

Tot nu toe werd aangenomen dat Mondriaan na 1911 het molenmotief liet varen. Op een enkel doek na, dat hij in 1916 in opdracht, dus om den brode zou hebben geschilderd - de Molen bij avond - zouden er na de Zeeuwse molens geen nieuwe zijn bijgekomen. Maar het is de vraag of dit waar is. De Molen bij avond hoort bij een mysterieuze serie van twee grote houtskooltekeningen en drie schilderijen die allemaal dezelfde molen weergeven in het schijnsel van een laag aan de hemel staande maan. Waarschijnlijk heeft Mondriaan bij deze serie de molen te Blaricum voor ogen gehad. Deze molen, die in 1927 werd afgebroken, stond aan de rand van de weilanden, op een verhoging (de zogeheten Molenberg) iets buiten het dorp. Maar zoals alles aan deze molenserie duister is, zo is ook de situering in Blaricum niet helemaal zeker.

In Uden hoopte ik de serie - die nog nooit in haar geheel is geëxposeerd - te kunnen zien, maar hier hangen alleen de twee houtskooltekeningen en één van de drie schilderijen, het doek Molen uit het Stedelijk Museum in Amsterdam. De andere doeken bevinden zich in het Haags Gemeentemuseum (Molen bij avond) en in Dallas. De positie van molen, maan en wieken is op de drie doeken precies gelijk, maar in kleur en schildertrant wijken ze van elkaar af.

Op de Molen bij avond uit het Haags Gemeentemuseum is de molen een bruin-zwart, bijna dreigend bouwsel tegen een lucht die aan de horizon donkerpaars is, naar boven toe wat oplicht en zich verdeelt in witomrande, violette schapewolkjes. Op de molendoeken uit Dallas en Amsterdam zijn de wolkjes minder geprononceerd, deze schilderijen zijn lichter van toon en de kleuren - rozerode, blauwe en gelige tinten - vloeien meer in elkaar over.

Op het doek uit Dallas overheerst het blauw, op dat uit Amsterdam het rozerood van de molen. Deze rozerode molen doet denken aan het schilderij Devotie uit 1908, waarop Mondriaan een in gebed verzonken meisje afbeeldde. Devotie is emotioneler en wilder geschilderd, maar de kleurstelling in blauw, rood en geel, komt toch erg overeen met die van het molendoek. In een brief uit 1909 legde Mondriaan uit dat hij het biddende meisje in zulke ongewone tinten had geschilderd - het gezicht en de haardos in rood en blauw - om de 'geestelijken kant' te benadrukken en de aandacht af te leiden van het materiële, van bijvoorbeeld de haardos.

Maar wat wilde hij dan met zijn rozerode molen of met De rode molen die hij in 1911 in Zeeland schilderde? Mondriaan heeft zich over zijn molendoeken zelden uitgelaten. Alleen in het '4e Toneel' van zijn Trialoog, een gefingeerde discussie over de schilderkunst tussen een leek, een ouderwetse en een moderne schilder die in 1919 en 1920 in afleveringen in De Stijl verscheen, staat hij even bij zijn molens stil. Het decor van dit vierde toneel is 'Een molen van zeer nabij - scherp en donker tegen de heldere nachtlucht - de wieken staan stil in de vorm van een kruis.' Mondriaan vertelt dat vroeger de kruisvorm van de wieken hem bijzonder aantrok. 'Sinds ik echter in alles den rechthoekigen stand onderken, zijn deze wieken mij niet schooner dan iets anders.' Dan legt hij uit dat hij met lichte en donkere verf de 'indruk van lucht en molen' niet goed kon weergeven: de blauwe kleur van de lucht eiste een andere kleur als tegenstelling. 'Ik vond bevrediging door den molen rood tegen het blauw uit te schilderen.' Hij wilde dus dat de kijker minder oog had voor de molen als een ding en meer de evenwichtige, serene verhoudingen van de vormen en de kleuren op zich liet inwerken: 'Hoe meer we de verhouding der kleuren en hoe minder we de kleur zelve zien, hoe meer we los van het bijzondere en daarmee van de tragiekbeelding zullen komen', zoals hij elders in zijn Trialoog opmerkt.

De rozerode molen uit het Stedelijk Museum werd tot nu toe gedateerd op 1908, een jaar waarin hij met kleuren experimenteerde en nogal uiteenlopend werk schilderde, ondermeer het doek Devotie, maar bijvoorbeeld ook rode en blauwe bomen. De kunsthistoricus J.M. Joosten die de sisyfusarbeid op zich heeft genomen om al Mondriaans werk van na 1912 onder te brengen in een catalogue raisonné, voelt niets voor deze vroege datering. Volgens hem zijn de rozerode molen en ook de molen uit Dallas veel koeler, regelmatiger en beheerster geschilderd dan Mondriaan in 1908 gewend was te doen. Hij meent dan ook dat deze twee schilderijen, net als het derde uit de serie, de Molen bij avond uit het Haags Gemeentemuseum, van veel later datum zijn.

De molen uit Dallas, die veel weg heeft van de rozerode molen, zou Mondriaan geschilderd hebben voor een zekere J.R. Katz, een Amsterdamse arts die later naar de Verenigde Staten emigreerde. In een nog ongepubliceerde brief die Mondriaan in 1918 aan een vriendin, Willy Wentholt, schreef, komt de naam Katz ter sprake: Mondriaan schrijft dat hij nu gelukkig weer aan zijn eigen werk bezig is en dat hij een 'molen' bij dr. Katz heeft afgeleverd. 'Katz vond het mooi, zo blij zei hij, maar 't kan nog gebeuren dat ik hem nog zoals die andere moet maken. Ik hoop dus dat ik niet weer eraan moet.' Hieruit blijkt dat Mondriaan zich in elk geval in 1918, toen hij begonnen was met het schilderen van geometrisch-abstracte composities, nog bezighield met het molenmotief, zij het dan ook in opdracht. Ook is er uit af te leiden dat de molen uit Dallas - en dan waarschijnlijk ook de rozerode molen uit het Stedelijk Museum - pas toen geschilderd werd. Maar Mondriaan varieerde in zijn opdrachtwerk vaak op vroegere schilderijen, dus ook dat is niet zeker.

En de molen met de paarse schapewolkjes uit het Haags Gemeentemuseum? Deze molen kwam later in het bezit van Mondriaans Blaricumse vriend Sal Slijper. In een na de Tweede Wereldoorlog opgestelde inventarislijst zette Slijper bij deze molen het jaartal 1916. Een wankel houvast, want Slijper was weleens slordig.

De ontwerper en kunstbeschouwer Herman Hana die in 1916 in Blaricum naast Mondriaans atelier woonde, schreef in 1924 met medeweten van Mondriaan een beschouwing over zijn oeuvre in het blad Wil en Weg. Daarin noemt hij deze molen een werk 'uit Mondriaan's begin-tijd', waarmee hij waarschijnlijk doelt op de tijd vóór Mondriaans vertrek naar Parijs in 1912. Hana is lyrisch over deze 'donkere molen gezien bij maanlicht': 'Hier is de stilte. De molen draait niet. De zeilen zijn opgerold. Maar hij getuigt welsprekend van zijn vaste bestaansmacht, zóó sterk en resoluut neergeplekt in de ijle spanning van den maannacht-hemel. Die hemel is zijn domein, zijn armen grijpen hoog en wijd in de lucht; zóó hoog en wijd, dat zij niet binnen de grens van het tafreel te binden zijn. (-) Het is, voor den vakman, een klein kunstje om te zorgen dat de heele molen erop komt, maar juist nu hij er niet heelemaal opstaat, wordt de suggestie van die wijd-uitgrijpende molenmacht zooveel sterker. De schapewolkjes, een voorliefde van Mondriaan, zweven daar omheen in wolkige onbewustheid.' Behalve het artikel van Hana zijn er ook andere - vage - aanwijzingen dat Mondriaan deze imposante molen - die ik in het depot van het Haags Gemeentemuseum mocht bekijken - al eerder dan in 1916 schilderde. We weten eenvoudig niet hoe het zit. Dat is jammer, omdat de datering bij Mondriaan iets zegt over de betekenis die we moeten hechten aan de vreemde kleurstellingen en aan de opbouw van het schilderij.

Niet alleen over de serie molens bij avond valt nog van alles uit te zoeken. Ik heb hier maar enkele van de vele molenraadsels aangestipt waarvoor een Mondriaanjaar een mooie gelegenheid zou zijn om ze op te lossen. Het museum in Uden had dat kunnen doen door een kunsthistoricus aan het werk te zetten, zoals het Gemeentearchief in Amsterdam voor zijn expositie heeft gedaan. Maar het Museum voor Religieuze Kunst en de Stichting Mondriaanjaar 1994 hebben die gelegenheid voorbij laten gaan. Helaas, want een van de gevolgen van een 'Mondriaanjaar' is nu eenmaal dat er de komende jaren in Nederland geen expositie van Mondriaan meer georganiseerd wordt, Mondriaanmoe als men dan is.

Bij de grote Mondriaantentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum, waarmee het herdenkingsjaar wordt afgesloten, zal geen enkel exemplaar uit de Molen-bij-avondserie - geen houtskooltekening en ook geen van de drie schilderijen - te zien zijn. De ontsluiering van de raadsels zal dus nog wel even op zich laten wachten.