Blijf uit de buurt van grote woorden; Gewone gedichten van L.F. Rosen

L.F. Rosen: Adel. Uitgeverij G.A. van Oorschot, 60 blz. Prijs ƒ24,90.

Toen L.F. Rosen in de lente van 1983 met maar liefst tien gedichten debuteerde in De Tweede Ronde, kondigde de redactie hem in haar voorwoord aan als 'een buitengewone debutant'. Er kleeft iets overbodigs aan die karakteristiek. Men kan moeilijk 'een gewone debutant' aanprijzen. Poëzie, en zeker de poëzie van een nieuwkomer, is altijd buitengewoon, anders had ze niet geschreven hoeven te worden. Gewone poëzie bestaat eigenlijk niet.

Intussen is er geen tijdschrift waarin zoveel gewone gedichten te vinden zijn als nu juist De Tweede Ronde. Een bloemlezing uit DTR-poëzie heette niet voor niets Achter gewone woorden. Met die titel werd nog wel gesuggereerd dat er achter de altijd goed verzorgde, maar onopvallende buitenkant iets bijzonders lag te wachten, maar dat viel in de praktijk tegen. Achter de gewone woorden ging vooral een tamelijk gewoon wereldbeeld schuil; rustig, mild, met lichte humor en licht onbehagen, in allerlei variaties en grijstinten.

Wat betekent het nu als de redactie van dit gewone tijdschrift iemand uitroept tot buitengewoon? Is hij dan buitengewoon gewoon, of misschien toch wel gewoon goed? Ik heb Adel van L.F. Rosen nu in ieder geval vijf keer gelezen (van voor naar achter, van achter naar voren, kriskras, per afdeling en nog eens kriskras), maar ik kom er eerlijk gezegd niet uit. Dit is een bundel waarover alleen maar aardige dingen te zeggen zijn, want er is, zeker voor een debuut, niks mis mee. Behalve dan misschien dit: dat er niks mis mee is.

Adel is een lijvige, degelijke en zeer gelijkmatige bundel. Hij bevat 43 gedichten, ondergebracht in drie thematische afdelingen, zonder uitschieters en zonder scherpe contrasten. Er is aandacht voor de vorm, maar niet teveel. De gedichten gehoorzamen aan een rijmschema, maar het rijm wordt mooi verdoezeld.

Rosen is een dichter die er de tijd voor neemt. Zijn gedichten tellen gemiddeld zo'n twaalf regels, zijn regels zijn vaak aan de lange kant, en in die vorm praat hij eerder dan dat hij zingt of andere gekkigheden uithaalt. Geen ontregelingen, geen bizarre exercities, geen gewaagde dieptepeilingen. Het is allemaal gerijpt en afgerond en goed overdacht, zonder harde conclusies of pikante pointes. Rosens poëzie is beschrijvend, met een zekere afstand tot de aanleiding.

Middenklasse

Hij dicht over herinneringen, jeugdsentiment, huiselijke voorvallen, in de eerste afdeling 'Banden'. Hij geeft portretten van plaatsen en personen, in de tweede afdeling 'Vorsten'. En hij besluit met gedichten die uit een wat vrijere verbeelding geboren zijn, in de derde afdeling 'Ideeën'. In alle drie afdelingen treft een zelfde mengsel van nuchterheid en ook wel droom, anekdotiek en ook wel aardige beeldspraak, idee en ook wel bevlogenheid.

Een echte kern zie ik niet in deze bundel, en ook niet een echt kerngedicht, of het zou 'Hooggeboren woorden' moeten zijn, omdat in dat poëticale vers gezinspeeld wordt op de titel van de bundel. Erg helder is het niet. Het handelt over 'hooggeboren', dus adellijke woorden, maar helaas geeft Rosen er geen voorbeelden van. Ze zijn 'diffuus van adel en de ruis der eeuwen', en Rosen lijkt er erg tegenop te kijken, maar tegelijk is hij er ook als de dood voor. Hij voelt 'angst' in hun nabijheid en 'vluchtgedrag als groeistuip van het voelen'. Is dichten het omzetten van leven in edeltaal, en hoopt de dichter dat ooit nog eens te bereiken? Of is het juist zaak uit de buurt van deze hogere woorden te blijven? Beide conclusies zijn mogelijk. De laatste zou meer in overeenstemming zijn met het gewone karakter van Rosens poëzie, maar waarom heet zijn bundel dan Adel en niet Middenklasse?

Zo is, in de wat gedurfdere gedichten, de uitwerking nogal eens verwarrend, terwijl in de meer eenvoudige, beschrijvende gedichten de inzet te laag blijft. De charme van dit wel aardige debuut is dus vooral in onderdelen te vinden. De eerste regel is al meteen goed: “Het was een goed jaar in de windhandel.” Maar met die hilarische opening wordt weinig gedaan. Dat gebeurt wel in een gedicht waarin de dichter zich beklaagt over de ziel waarmee men hem heeft opgescheept. Het is een arme ziel, een 'zorgenkind' met 'zijn vleugelstompjes op zijn rug gebonden', waarmee hij het maar moet zien te doen. Hij ziet er weinig in, maar de ziel zelf droomt ervan om ooit nog eens samen met de dichter de opvlucht te beleven, om ergens daarboven 'in het Turkooizen Slaapvertrek/ elkaar de laatste geheimen te verklappen.'

Mooi, en vreemd, is ook de fantasie over de krabnevel, voorgesteld als Gods eigen, voormalige sterrentuin, 'eens een schier onverwoestbare Hof van Eden' vol 'bekoorlijke, blonde hemellichamen.' Maar nu hangt de nevel erbij als 'een sleetse bruidssluier uitgespreid in de nacht', uitgedoofd tot 'een flauw flikkerend punt':

Voor dichters 't achterlicht van een wegfietsende God

op naar zaliger oorden en vruchtbaarder zonnen

terwijl zijn stervende tuin tot het Niets verdunt

en opnieuw alles spoorloos verdwijnt in de doofpot.

In het gedicht 'Van liefde naar slaap' lopen de lange regels mooi roezig in elkaar over, verhalend van de liefde, 'de pezige liefde', en de sluimer daarna, het bijna verzinken in diepe schuldeloze slaap - totdat de hond van Weggers zich meldt. De zalige doezel wordt ruw verstoord door het aanslaan van die stomme hond van de buren. Het gedicht loopt daarna wat slapjes af, maar die hond, die hond van Weggers, is mooi. Ik ken Weggers niet, en zijn hond ook niet, maar toch breekt juist daar iets persoonlijks door het gewone vernis. Meer windhandel, meer Turkooizen Slaapvertrekken, meer achterlichten, al dan niet van Gods Fiets, en meer op ongelegen momenten aanslaande honden, al dan niet van Weggers: die zouden de bescheiden, sympathieke, rustige, kortom: al te gewone poëzie van Rosen tot buitengewone poëzie kunnen maken.