Angst voor efficiëntie bij vredesoperaties van VN

Op dit moment zijn er 70.500 blauwhelmen actief in 22 landen. Maar de troepen komen niet snel genoeg ter plekke door een gebrek aan ervaring, geld en planning. Tien Nederlandse militairen op het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York zijn dagelijks bij die uitzending betrokken.

NEW YORK, 24 JUNI. De macht op het hoofdkwartier van de Verenigde Naties was altijd mooi in partjes verdeeld. Veel onderafdelingen werkten langs elkaar heen. Vaak waren de ambtenaren uitgestuurd naar New York omdat alle 185 lidstaten nu eenmaal recht hebben op banen bij de VN. Of de ambtenaren ook over de benodigde kennis en training beschikten kwam op de tweede plaats.

Tijdens de Koude Oorlog waren de Verenigde Naties niet al te activistisch. Dat kwam de grootmachten goed uit. Maar nu er bij regionale conflicten een steeds groter beroep wordt gedaan op de Verenigde Naties blijkt het secretariaat niet toegerust voor deze nieuwe taak.

Pakistaanse troepen, toegezegd voor Bosnië, arriveren pas in augustus in Zagreb, 13 maanden na het besluit om deel te gaan nemen aan Unprofor. Voor Rwanda zijn Afrikaanse troepen beschikbaar, maar pas over drie maanden. De Fransen sprongen deze week in om de humanitaire nood te lenigen en achteraf krijgen zij het fiat van de Verenigde Naties. Het animo om troepen voor de VN te leveren is bij de lidstaten miniem. Nederland staat met 2.200 militairen op de negende plaats bij vredesoperaties, binnen de Navo is Nederland het vierde land dat vredestroepen levert. In totaal komen er blauwhelmen uit 68 landen, maar de helft van die troepen is slecht uitgerust en niet op hun taak berekend.

Vroeger bestond het militaire comité van de VN uit een handvol officieren die eens per week elkaar vroegen hoe de vlag erbij stond. Nu is er een staf van 300 medewerkers gerecruteerd, waarvan zo'n honderd militairen die in de meeste gevallen door de eigen krijgsmachtonderdelen worden onderhouden omdat de VN onvoldoende middelen heeft.

“Je hebt het gevaar dat wij als een rijkeluisclub worden gezien en andere lidstaten op den duur bezwaar maken tegen onze activiteiten”, zegt de Nederlandse militaire adviseur overste Raymond van Veen. “Maar zo ver is het nog niet, want men ziet nu nog in dat het niet anders kan. In het totaal werkt de Ghanese ondersecretaris generaal Kofi Annan met 300 mensen. Als je dat vergelijkt met de afdeling voorlichting en publiciteit van de VN, daar werken er meer dan 1500. Er komt nog bij dat er bij de Verenigde Naties weinig mensen zijn die iets planmatig aanpakken. Managers worden niet aangesproken op het reilen en zeilen van hun bureau. Integrale planning, dat gaat helemaal tegen het cultuurtje in. Iets kwijtraken van je eigen territoir, landjepik noemen ze dat, dat zien de meeste internationale ambtenaren hier als een verlies aan macht en dat moest kost wat kost worden vermeden. Dat verwacht het thuisfront immers niet van je, dat je in de wereldorganisatie met minder macht genoegen zou moeten nemen.”

Van Veen denkt dat in de toekomst het secretariaat van de VN niet zonder integrale planning kan. Vredesoperaties hebben niet alleen een militair aspect, maar vooral een humanitaire opdracht. Je ontkomt er dan niet aan om zo'n actie met meer organisaties af te stemmen. Nu werken verschillende VN-bureaus en particuliere organisaties langs elkaar heen. Dat is ook in Cambodja gebleken tijdens de grootste VN-operatie tot nog toe om daar verkiezingen voor te bereiden (kosten: 4,5 miljard gulden).

De Verenigde Naties zijn eind jaren tachtig aan grootscheepse militaire acties begonnen, zonder de regelgeving van het hoofdkwartier aan te passen. Zo gaan er bij het uitsturen van troepen maanden verloren omdat er eerst een begroting moet worden goedgekeurd en het bureau voor logistieke zaken openbare inschrijvingen moet houden om een lage prijs te bedingen. Bij iedere nieuwe missie van blauwhelmen moet de secretaris-generaal bedelen om troepen. Nu wordt er een lijst van beschikbare eenheden opgesteld, maar pas 18 landen, waaronder Nederland, hebben daarop ingeschreven.

“Als je hier gefrustreerd wil raken dan ben je het binnen een week”, zegt kolonel der mariniers Cees van Egmond. Hij heeft samen met elf andere officieren een bureau voor planning van militaire operaties opgezet. “Je krijgt maar heel weinig informatie van andere bureaus op het hoofdkwartier. Wij zijn verdacht. Men is maar al te bang dat onze taak belangrijker zal worden in de komende jaren en andere afdelingen dat moeten ontgelden. Zo wordt het moeilijk om inzicht te krijgen hoe vroegere operaties zijn verlopen, wat er misging en wat verbeterd kan worden. Wij willen nu een databank opzetten om van begane fouten te leren. We willen een doctrine formuleren voor vredesoperaties en zo ervaring opbouwen met het management daarvan, want daar wordt in de Verenigde Naties bijzonde weinig aan gedaan. Maar onze inspanningen verlopen niet glad. Het belangrijkste van alles is om uit te kunnen voeren wat de politici van ons vragen”, aldus Van Egmond.

“Steeds vaker worden op de Verenigde Naties een beroep gedaan om tussenbeide te komen in regionale conflicten”, vervolgt hij. “Maar naarmate militaire missies mislukken, zoals in Somalië, neemt de geloofwaardigheid over de capaciteit om je mannetje te staan af. Dat willen we met een handjevol enthousiastelingen proberen te voorkomen: dat de lidstaten besluiten om conflicten te beslechten en wij in het veld vanwege de logge bureaucratie en het gebrek aan personeel, materieel en fondsen die beloftes niet kunnen waarmaken. Dus echt gefrustreerd raken heeft geen zin, want er is machtig veel werk aan de winkel.”