Alleen een middenklasse kan Afrika ontwikkelen

Het Afrikaanse werelddeel heeft te weinig tijd gehad om zijn eigen produktieve elites te vormen. De industrielanden zouden Afrika met een vorm van neokolonialisme kunnen helpen, zegt William Pfaff. Maar die hebben alleen belangstelling voor grondstoffen.

Het probleem Afrika is heel eenvoudig. Het gaat niet om tribalisme, armoede of AIDS. Het gaat erom dat Afrika vrijwel geen opgeleide professionele middenklasse heeft van het type dat moderne samenlevingen en economieën draaiende houdt.

Dat is in het algemeen een probleem in ontwikkelingslanden, maar het is wel heel acuut in Afrika, waar tot de vorige eeuw sprake was van analfabete samenlevingen met een ontwikkelingsniveau dat varieerde van de jacht-, landbouw- en herderseconomie tot de ontwikkelde handelseconomie van de Westafrikaanse koninkrijken. In veel opzichten waren de Afrikaanse samenlevingen tegelijkertijd gecompliceerd en hoog ontwikkeld en was sprake van aanzienlijke culturele rijkdom. Maar ze waren hulpeloos toen de Europeanen binnenvielen, hen koloniseerden en op brute wijze vernietigden.

Een eeuw later, in de grote golf van anti-imperialisme en dekolonisatie die volgde op de Tweede Wereldoorlog, werden de Afrikaanse samenlevingen onafhankelijk, met de ambitie moderne naties te worden, gebaseerd op een van de twee politieke en economische modellen die als enige alternatieven voorhanden waren: het liberaal-democratische of het staatssoscialistische. Bijna allemaal kozen ze voor het laatste model.

Het werd een fiasco. Zoals Conor Cruise O'Brien, een vriend van Afrika, heeft geschreven: “Het Afrikaanse socialisme heeft geen succesverhaal te vertellen.”

Sinds de val van het communisme hebben Afrika's elites bijna allemaal hun hoop gevestigd op het ontwikkelingsmodel van de democratie en de vrije markt, daartoe aangemoedigd door de Wereldbank en het IMF. Dat leverde uiteenlopende economische resultaten op, maar het bood geen oplossing voor het principiële politieke probleem dat er geen 'burgerlijke samenleving' bestaat van het type dat elders een functionerende democratie mogelijk maakt.

Bij ontstentenis van een verantwoordelijke, politiek actieve middenklasse hebben de meeste van deze landen geëxperimenteerd met persoonlijke dictaturen, gewoonlijk op basis van de overheersing van een bepaalde etnische groep, of zijn door hun legers geregeerd. Legers hebben tenminste gedisciplineerde structuren en een traditie van het oplossen van problemen, ze bezitten vaak ook bestuurlijke en technische kennis en vaardigheden, en ze bieden ambitieuze lieden - die vaak weinig andere kwaliteiten hebben - de mogelijkheid carrière te maken.

Het oplossen van problemen door het leger liep voortdurend uit op de vestiging van militaire dictaturen, op rivaliteit en staatsgrepen en tot slot op de overwinning van de wreedste en meest meedogenloze groep. Vandaar 'keizer' Bokassa, Idi Amin van Oeganda en de “revolutionaire”, in feite: factie-oorlogen, die Zanzibar, Angola, Liberia, Soedan en Ethiopië hebben verwoest.

Zelfs een zo hartstochtelijke voorstander van de bevrijding van Afrika als Basil Davidson, de schrijver van meer dan twintig boeken over het postkoloniale Afrika, heeft toegegeven dat de omstandigheden van nu vaak slechter zijn dan die van 1950.

Vandaar dat de Nigeriaanse Nobelprijswinnaar Wole Soyinka en een aantal Westerse commentatoren nu het postkoloniale taboe op de wijziging van Afrika's nationale grenzen - opgelegd door de koloniale mogendheden in 1885 en sindsdien nauwelijks gewijzigd - aanvechten. Nieuwe grenzen kunnen zodanig worden getrokken dat ze samenvallen met etnische grenzen. Met dat argument zijn we vertrouwd geraakt door Oost-Europa. Het Rwanda van nu laat zien waar dat - net als in het voormalige Joegoslavië - toe kan leiden.

Basil Davidson houdt vol dat de natiestaat in Afrika volstrekt kunstmatig is en dat, als hij wordt afgeschaft, “participatiestructuren binnen een breed regionaal kader” zijn plaats zullen innemen. Dat lijkt mij puur gevoelsmatig.

Het dilemma van Afrika is dat het werelddeel zich pas door ontwikkeling kan ontwikkelen. Om een moderne samenleving met een moderne economie op te bouwen heeft het juist de 'burgerlijke samenleving' nodig die alleen door opeenvolgende generaties ontwikkeld kan worden.

Het Afrikaanse werelddeel heeft niet de tijd gekregen in zijn eigen tempo te veranderen en zijn eigen produktieve elites voort te brengen. Zelfs nu, zo heeft een Ethiopische intellectueel gezegd, bestaat de 21ste eeuw naast de tijd voor de jaartelling. “Op sommige plaatsen, zoals Zuid-Soedan en Somalië, is het door de burgeroorlog nog méér 'voor onze jaartelling' dan vijf jaar geleden.”

Ik heb vorig jaar in een boek opgemerkt dat grote delen van Afrika zouden profiteren van een welwillend internationaal neokolonialisme, dat die landen de tijd en de middelen zou geven voor de ontwikkeling van een burgerlijke samenleving. Een criticus van de New York Times vond dat een “absoluut exentriek” idee en O'Brien vond het schandelijk. Maar het is wel de veronderstelling die schuilgaat achter de tamelijk wanhopige en chaotische internationale pogingen om de Somaliërs van zichzelf te redden en om te voorkomen dat Rwanda genocide op zichzelf pleegt.

Exentriek of niet, het is sowieso een irrelevant denkbeeld. De 'ontwikkelde' wereld heeft andere dingen te doen dan het herkoloniseren van een Afrika dat op eigen benen wil en wilde staan. Die wereld heeft weinig belangstelling voor het leveren van de middelen en het ondernemen van pogingen die ertoe kunnen leiden dat de onderling verbonden demografische en economische rampen die op Afrika afkomen, worden afgewend. Ze heeft belangstelling voor bepaalde Afrikaanse hulpbronnen en grondstoffen, maar ze zal ook in de toekomst haar ogen afwenden van de veel grotere tragedie van de Afrikaanse politieke samenleving in de twintigste - en eenentwintigste - eeuw. Ze zal zich ook afvragen, niet zonder reden: wat anders kan ze doen?

© NRC Handelsblad/LAT