Wit-Rusland twijfelt aan zijn eigen identiteit

In Wit-Rusland wordt vandaag een nieuwe president gekozen. Erg warm loopt de bevolking niet voor de verkiezingen, maar Wit-Rusland is dan ook een ex-Sovjet-republiek waar het uiteenvallen van de Sovjet-Unie heftig wordt betreurd.

MINSK, 23 JUNI. In Minsk is bijna geen taxichauffeur te vinden die de weg weet naar Koeropaty. “Nooit van gehoord”, zegt de chauffeur in trainingspak onverschillig, terwijl hij onze aanwijzingen volgt naar wat uiteindelijk ook niet meer blijkt te zijn dan een zompig grasveldje met wat houten kruisen. Hier, in dit bos aan de rand van de Wit-Russische hoofdstad, zijn in 1988 massagraven ontdekt van duizenden slachtoffers van de Stalin-terreur. De Opperste Sovjet van Wit-Rusland heeft destijds het besluit genomen op deze plaats een gedenkteken op te richten, maar het is er nog niet van gekomen. Wel rijdt er een boer rond op een tractor, die een enorme herrie maakt.

In Wit-Rusland is de geschiedenis de afgelopen jaren niet zo ingrijpend herschreven als in sommige andere voormalige Sovjet-republieken. Integendeel, het historische gevoel dat hier overheerst is nostalgie. Vandaag worden in dit vlakke land tussen Polen en Rusland de eerste presidentsverkiezingen gehouden sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en vier van de zes kandidaten voeren campagne voor nauwe tot zeer nauwe banden met Rusland.

Premier Vatjeslav Kebitsj, alleen al door zijn voortdurend verschijnen op televisie de bekendste kandidaat, voert als hèt succes van zijn bewind van het laatste halfjaar zelfs een plan aan dat neerkomt op nationale overgave. In de door hem verdedigde monetaire unie met het grote buurland zou Wit-Rusland weliswaar goedkopere grondstoffen krijgen, maar de Wit-Russische overheidsbegroting, de belastingen en de importtarieven zouden voortaan in Moskou worden vastgesteld.

Toch is er niemand met spandoeken de straat opgegaan. En ook vandaag is er in het schone, rustige Minsk niets te zien dat duidt op het belang van de keuze die wordt gemaakt.

“Het nationaal bewustzijn in Wit-Rusland is helaas maar zwak ontwikkeld”, zegt prof. Anatoli Gritzkevitsj, hoogleraar Wit-Russische geschiedenis aan de universiteit van Minsk. Het land maakte de afgelopen twee eeuwen deel uit van de Sovjet-Unie en van Rusland. Voor die tijd werd Wit-Rusland overheerst door Polen en daar weer voor, in de veertiende en vijftiende eeuw, door Litouwen. De Wit-Russische taal lijkt op het Russisch, waardoor is de gedwongen russificatie met minder problemen en grondiger kon worden doorgevoerd dan in andere grensgebieden van eerst het Russische- en later het Sovjet-rijk.

Volgens de hoogleraar bestaat er wel degelijk een 'nationaal karakter' dat de Wit-Rus onderscheidt van zijn buren. De 10,2 miljoen Wit-Russen zouden kalmer en koelbloediger zijn dan de Russen en ook harder werken. “Maar je moet toch vaststellen dat een groote deel van de bevolking zich meer Sovjet-mens voelt dan Wit-Rus. Hun moederland is de Sovjet-Unie.”

De loyaliteit aan de jonge staat wordt niet vergroot door de economische malaise van de afgelopen jaren. Binnen de Sovjet-Unie was Wit-Rusland een relatief welvarende republiek, maar sinds Rusland voor zijn energie- en grondstofleveranties wereldmarktprijzen vraagt is gebleken hoe weinig concurrerend de Wit-Russische industrie eigenlijk is. Een feit dat voor de nog steeds invloedrijke fabrieks- en boerderij-directeuren maar moeilijk is te aanvaarden.

Uit eerder dit jaar verricht onderzoek van het onafhankelijke Instituut voor Sociaal-economische en Politieke Studies blijkt dat 55 procent van de Wit-Russen voor heroprichting van de Sovjet-Unie is. Herintegratie met Rusland wordt zelfs gesteund door 63 procent. Maar hiervoor is nog een andere oorzaak dan economie en geschiedenis, denkt prof. Oleg Manajev, directeur van dit twee jaar oude en grotendeels vanuit het Westen gefinancierde instituut: het achterwege blijven van hervormingen.

Een wisseling van de wacht zoals die elders te zien was, en die nu trouwens elders ook weer gedeeltelijk wordt teruggedraaid, heeft in Minsk nooit plaatsgehad. Het in 1988 opgerichte democratisch-nationalistische Volksfront was niet sterk genoeg om verkiezingen af te dwingen. “De oude nomenklatura trok slechts een ander jasje aan maar bleef de meeste maatschappelijke structuren beheersen, inclusief de media”, zegt Manajev. “De situatie is natuurlijk al veel beter dan tien jaar geleden, maar nog steeds wordt alles wat mensen aan het denken kan zetten zo veel mogelijk geweerd.”

Zijn eigen instituut is een voorbeeld. Hoewel Manajev en zijn medewerkers actuele maatschappelijke kwesties onderzoeken, wil geen van de grote (staats-)kranten hun resultaten publiceren. In het eerste jaar na de oprichting kwam bijna maandelijks de KGB op bezoek om Manajev in uren durende discussies te overreden met hen samen te werken. Toen op dat verzoek niet werd ingegaan schreef het weekblad Zeven Dagen (oplage 250.000) op een dag dat het instituut staatsgeheimen verkocht aan de Amerikaanse, Israelische en Duitse inlichtingendiensten. De enquêteurs van het instituut worden sindsdien vooral op het platteland niet meer met open armen ontvangen.

Ook buitenlandse organisaties moeten het ontgelden. De stichting van de in heel Oost-Europa actieve filantroop George Soros bijvoorbeeld, is dit voorjaar beschuldigd van subversieve activiteiten en spionage. Premier Kebitsj negeerde Soros tijdens diens bezoek in mei omdat de premier, zoals hij zei, “geen mensen wil ontmoeten die de republiek beschadigen”. Het Leger des Heils wordt meervoudige inreisvisa geweigerd zodat de Heilsoldaten nu overwegen hun activiteiten in Wit-Rusland maar helemaal stop te zetten.

De sterke staatscontrole op het openbare leven komt het ontstaan van de “onafhankelijke structuren” waarop Manajev zijn hoop heeft gevestigd, niet ten goede. Particuliere bedrijven, instituten, kranten en verenigingen moeten volgens hem het draagvlak leveren voor een nieuwe democratische middenklasse, die kan voorkomen dat de klok in Wit-Rusland weer wordt teruggedraaid en dat het land weer simpelweg ophoudt te bestaan. Of en hoe snel onafhankelijke instellingen zich tegen de stroom in toch kunnen ontwikkelen, dat is volgens hem bepalend voor de toekomst van het land. Voorlopig gaat het langzaam.