Wankel herstel

Eindelijk lijkt het economisch tij te keren. Verleden week maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) bekend dat de werkloosheid in de periode maart/mei 1994 met 17.000 personen is gedaald. Na twee jaar waarin de werkloosheid steil opliep van 325.000 naar ruim 500.000, is dat goed nieuws. Ook andere cijfers laten zien dat de Nederlandse economie voorzichtig op weg is naar herstel. In het eerste kwartaal van dit jaar groeide de produktie met 1,3 procent ten opzichte van het jaar daarvoor. Dat is nog niet echt uitbundig, maar na het gekwakkel in 1993 (gemiddelde produktiegroei 0,3 procent) toch positief. En het ziet ernaar uit dat die ontwikkeling doorzet. In april ging het Centraal Planbureau (CPB) er nog vanuit dat de Nederlandse produktie in 1994 met 1 procent zou stijgen. Nu komt het CPB uit op 1,5 procent.

Nederland kruipt uit het dal. Maar er is geen reden ons daarvoor op de borst te slaan. In de eerste plaats doet Nederland het slechter dan de rest van Europa, waar de produktie in 1994 met bijna 2 procent toeneemt. En als we kijken naar het gemiddelde van alle industrielanden (2,6 procent over 1994), steekt onze 1,5 procent daar toch wat magertjes tegen af. De oorzaak ligt waarschijnlijk in de samenstelling van ons exportpakket. In dat pakket zitten veel voedingsmiddelen, maar duurzame consumptiegoederen en machines zijn ondervertegenwoordigd. In een neergaande conjunctuur springt Nederland er daarom vrij aardig uit. De afzet van voedingsmiddelen blijft tamelijk stabiel. Maar van een opgaande conjunctuur profiteren we minder dan andere landen, want dan trekt juist de vraag naar bijvoorbeeld personenauto's aan.

En in de tweede plaats danken we het herstel niet aan onszelf, maar aan het buitenland. Doordat de wereldconjunctuur aantrekt, nemen de bestedingen in het buitenland toe. Die grotere bestedingen betekenen dat het buitenland meer gaat importeren. Dus komen er ook meer exportmogelijkheden voor een land als Nederland. Als we zicht willen krijgen op onze economische vooruitzichten, is er alle reden een blik te werpen op de internationale situatie. En daarbij gaat het nu vooral om de Verenigde Staten.

In de Verenigde Staten is de opleving al ruim drie jaar geleden begonnen. Vorig jaar nam de produktie met 3 procent toe en voor 1994 worden vergelijkbare groeicijfers verwacht. Maar de vraag is hoe lang de Verenigde Staten die hoge groeicijfers kan vasthouden. Naarmate de bezettingsgraad van de Amerikaanse economie toeneemt, neemt het gevaar van prijsstijgingen toe. Van een oplopende inflatie is in de Verenigde Staten nog geen sprake, maar een verstandige centrale bank grijpt al in voordat het zo ver is. In tijden van toenemende inflatie gaat iedereen ervan uit dat de prijzen volgend jaar nog harder gaan stijgen. En als mensen die verwachting hebben, gedragen ze zich zo dat die inflatieverwachting ook uitkomt. Een voorbeeld. Vakbonden baseren zich in hun looneisen dan niet op de werkelijke inflatie van 2,5 procent (het huidige Amerikaanse cijfer), maar op een gemiddelde prijsstijging van bijvoorbeeld 5 procent (de verwachte inflatie). Werkgevers zullen niet al te dwars liggen. De arbeidsmarkt is zo krap dat ze moeite hebben met het vinden van geschikt personeel. De bonden zitten dus in een comfortabele positie. De te grote loonstijging leidt tot hogere loonkosten per eenheid produkt. Die hogere kosten berekenen ondernemingen door in hun prijzen. Resultaat: de inflatie krijgt een nieuwe impuls.

De Amerikaanse centrale bank, de Fed, heeft sinds februari al een aantal keren geprobeerd met een kleine discontoverhoging de inflatieverwachtingen weg te nemen. De redenering daarachter is als volgt. Door de rente op kortlopende leningen te verhogen wil de Fed laten zien dat zij de inflatie geen kans wil geven. Maar veel indruk lijken die geringe renteverhogingen niet te hebben gemaakt op de financiële markten. Dat valt duidelijk te zien aan het oplopen van de kapitaalmarktrente, de rente op langlopende leningen. Als beleggers verwachten dat de prijzen harder zullen gaan stijgen, verlangen zij een hogere rente. De inflatie zorgt er immers voor dat de koopkracht van het uitgeleende geld wordt aangetast. Voor dat risico willen zij worden gecompenseerd. Het gevaar bestaat dat die rentestijging een einde maakt aan het Amerikaanse conjunctuurherstel. Een hogere kapitaalmarktrente maakt het investeren duurder en haalt zo de fut uit de economie. Het is dus maar de vraag hoe lang de Verenigde Staten kan blijven optreden als de gangmaker van de wereldeconomie.

En als de Amerikanen afhaken, wie moet het dan overnemen? In Europa zelf is de opleving nog niet krachtig genoeg om een eigen leven te kunnen leiden. Vrijwel alle Europese landen moeten het voorlopig hebben van hun export. Daar komt nog bij dat de kapitaalmarktrente ook in Europa de laatste tijd flink is gestegen. Blijkbaar is de Amerikaanse inflatieschrik overgeslagen naar Europa, zonder dat daarvoor ook maar enige aanwijsbare reden is. En de derde hoofdrolspeler op het wereldhandelstoneel, Japan, staat er nog beroerder voor dan Europa. De recessie in Japan duurt nu al ruim drie jaar. Sinds juni 1993 is de industriële produktie er met bijna 1,5 procent gedaald. Of de economische opleving in Europa en dus ook in Nederland doorzet, hangt voor een groot deel af van de Amerikaanse conjunctuur.