Voorlichting over geestelijke stoornissen

Voorstelling: The Man Who naar Oliver Sacks van Peter Brook. Regie: Peter Brook. Spel: David Bennent, Sotigui Kouyaté, Bruce Myers, Yoshi Oïda. Muziek: Mahmoud Tabrizi-Zadeh. Gezien: 22/6, Bellevue, Amsterdam. Nog te zien: aldaar t/m 28/6.

In het programmaboekje van The Man Who dankt regisseur Peter Brook een lange lijst professoren in de neurologie, medewerkers van neuropsychologische klinieken en patiënten. Hij is niet over één nacht ijs gegaan met zijn enscenering van The man who mistook his wife for a hat, een verzameling populair-wetenschappelijke case-histories van de Amerikaanse psychiater Oliver Sacks. Diens boeken hebben al veel kunstenaars geïnspireerd, van filmer Erik van Zuylen (Zjoek) tot toneelschrijver Harold Pinter (Alaska), en Penny Marshal gaf zijn rolprent zelfs ondubbelzinnig de titel van Sacks bekendste bundel Awakenings.

Dat het genre, hoewel dus gewild, niet eenvoudig is, bewijst Peter Brook. Hij is een van de grand old men van het na-oorlogse Europese theater. In een halve eeuw tijds ontwikkelde hij zich tot een bijna spreekwoordelijk sober regisseur. Tegenwoordig laat zijn theater zich het beste omschrijven als minimale verbeelding in een lege ruimte. The man who, zijn jongste produktie, is daar een uitstekend voorbeeld van. Op een vierkante, kale speelvloer, aan weerszijden begrensd door enkele withouten stoelen en tafeltjes, laat Brook zijn spelers neurologische ziektegevallen naspelen, steeds tijdens een sessie met hun therapeut die, simpelweg door zijn witte jas uit te trekken, in de volgende scène zelf patiënt wordt.

Dat is de structuur, de gespeelde afwijkingen zelf variëren van voorhoofdskwab-beschadigingen tot autisme, van verlies van proprioceptie (zich niet meer bewust zijn van het eigen lichaam) tot zieleblindheid (verlies van het 'optische' besef). Er zijn dertien scènes in totaal. Geen van alle zijn case-histories, zoals Sacks in zijn boeken beschrijft, het gaat om steeds een enkel geïsoleerd moment uit de geschiedenis van één patiënt met één in het programmaboekje omschreven, specifieke kwaal.

Identificatiemogelijkheden zijn er niet, zomin als verklaringen: de geschiedenis, de vertelling ontbreekt. Het gevolg is dodelijk saai voorlichtingstheater, geknipt voor specialistencongressen en collegezalen. De verbeelding is zo gereduceerd dat zij zo goed als verdwenen is. Iedere scène is een documentair nagespeelde gedraging, en het geheel een kermisachtige reeks rariteiten. Verrassingen blijven bovendien uit; de behandeling van het syndroom van Gilles de la Tourette (erg 'in de mode', zoals de 'patiënt' zelf meldt) verloopt precies zoals te voorspellen. Het ene moment speelt de acteur zenuwtrekkingen en vloekt hij willekeurig, het andere legt hij het publiek lucide uit wat zijn kwaal behelst. Uiteraard gaat hij na zijn uiteenzetting schokkend en vloekend af.

Het enige moment waarop er theater ontstaat zoals Brook zelf dat waarschijnlijk voor ogen staat, is in de scène over 'onopmerkzaamheid'. De Japanse acteur Yoshi Oïda ontroert, als hij op een monitor moet vaststellen dat hij de linkerhelft van zijn gezicht niet geschoren heeft, omdat hij die in de spiegel niet ziet. Dan verkeert de rariteit kortstondig in tragiek. Zoals het hoort in het theater.