Varkensboer zoekt plek voor 'megabedrijf'

Milieuorganisaties, bewonersgroeperingen en overheden staan op hun achterste benen over de dreigende 'varkensinvasie' uit Brabant, Limburg en Gelderland. “Als je het doet, moet je het goed doen”, zegt een varkenshouder.

STEENBERGEN, 23 JUNI. Zeeland, West-Brabant en delen van Noord-Groningen zijn in rep en roer. Want, zo luidt daar de opinie, daar komen ze aan: de cohorten Oostbrabantse, Limburgse en Gelderse varkenshouders met hun dieren, hun stront en hun stank. Gesproken wordt al van een varkensinvasie.

Een schrikbeeld doemt op van immense stallen, vervuilde lucht, water en bodem en steen- en mestwoestenijen zoals op de oostelijke zandgronden. Campings die wel kunnen sluiten omdat hun gasten niet in de stank willen zitten, waardedaling van de huizen. “Er doen getallen de ronde van 300.000 varkens, dus is er echt wel reden voor onrust”, zegt een woordvoerder van de provincie Zeeland.

Smeekbeden naar de ministers Alders (milieu) en Bukman (landbouw) haalden tot nog toe niks uit. Onlangs lieten beide demissionaire bewindslieden aan het provinciaal bestuur van Zeeland weten dat er geen mogelijkheden zijn om de ontwikkeling tegen te houden. Een paar weken eerder had Alders in de Eerste Kamer gezegd dat de verhuizing van varkensbedrijven zelfs goed is om de mestconcentratiegebieden te ontlasten.

In Zeeuws-Vlaamse plaatsen verzamelden actiegroepen 8.000 bezwaarschriften. Op hoorzittingen zoals in de Westbrabantse gemeente Steenbergen liepen de gemoederen hoog op. Woordvoerder F. Nootenboom van de actiegroep Leefbaarheid De Heen: “Bij het afgeven van de vergunning bleek dat de gemeente een camping vlakbij gewoon over het hoofd heeft gezien, dus over kennis van zaken gesproken. Bovendien”, aldus Nootenboom, “deed het gemeentebestuur of het enorm schrok van die plotselinge aanvragen, terwijl later bleek dat men er al in het najaar van op de hoogte was.” Want de oostelijke zandridders zijn al vanaf september in het zuidwesten maar ook in het uiterste noorden actief en hebben er menig gemeentehuis bezocht op zoek naar gammele bestemmingsplannen. Het Groningse Woldendorp stond op zijn kop omdat daar een Brabantse varkenshouder een stal wil gaan bouwen voor 8.000 varkens. Secretaris Boertjens van de noordelijke Landbouwmaatschapij spreekt van enige tientallen bedrijven die zich vooral rond Delfzijl willen vestigen. Medewerker F. Dotinga van de Brabantse Milieufederatie: “De betreffende gemeenten zijn heel stom geweest. Ze hadden deze druk kunnen verwachten nu het mestbeleid verder wordt aangescherpt en de mogelijkheden in de mestconcentratiegebieden verder worden afgeknepen. Dan krijg je verplaatsing en dat hadden ze kunnen weten.”

Verdenkingen zijn er legio. Onder de aanvragers zouden speculanten zijn die vergunningen voor veel geld verkopen, want waarom anders werden er voor een handjevol bedrijven zoveel vergunningen aangevraagd? Een veevoederfabriek als de Cehave in Veghel, een coöperatie die eigendom is van de Brabantse boeren, zou de Brabantse uitwijkelingen nijver hebben bijgestaan met advies. Woordvoerder Godee van de Cehave: “We hebben alleen maar offertes gemaakt voor de stallen en niks geïnitieerd, maar we zouden het natuurlijk wel leuk vinden als ze straks ons veevoer zullen afnemen.”

“Het initiatief”, aldus Godee, “zit bij aannemer Wouters uit Schijndel. Die heeft de gaatjes in de wet ontdekt en vervolgens een aantal grote varkenshouders bijeen gezocht die het wel zagen zitten.” Het gaat om de Schijndelse aannemer J. Wouters, vroeger zelf varkenshouder, nu met zijn bedrijf voor 80 procent werkzaam in de agrarische bouwactiviteiten, zoals stallen. Hij kreeg, zegt hij, vorig jaar september van iemand (“de naam doet er niet toe”) de tip dat er in de bestemmingplannen van menige Westbrabantse en Zeeuwse gemeente zulke gaten zaten dat er gemakkelijk een aantal varkensbedrijven doorheen zouden kunnen worden geloodst.

Het regende aanvragen onder het motto: hoe vaker geschoten des te groter de kans op treffers en telkens ging het om dezelfde namen. Wouters plaatste er maar liefst 10, waarvan hij denkt dat er 4 tot 5 zullen worden gehonoreerd in Steenbergen (West-Brabant), Tholen en het Zeeuws-Vlaamse Oostburg.

Het gaat om aanvragen voor naar Nederlandse begrippen zeer grote varkensbedrijven, daarom ook al wel megabedrijven genoemd. Ze willen per bedrijf 10.000 of meer vleesvarkens gaan houden, terwijl de gangbare grootte tussen de 1.000 tot 1.500 dieren ligt. Zoals een van hen, varkenshouder A. van Genugten uit Best, zegt: “Als je het doet moet je het in een keer goed doen. Je moet bedrijven van een behoorlijke omvang opzetten om de milieukosten te kunnen opbrengen en om over 20 tot 25 jaar nog varkenshouder te kunnen zijn.” Van Genugten is samen met zijn broers goed voor 8 vergunningaanvragen in Steenbergen en in Zeeuws-Vlaanderen voor tesamen 35.000 varkens. Van Genugten, die in Best een bedrijf heeft met 10.000 vleesvarkens: “Wouters begon er half vorig jaar mee en toen zijn wat andere varkenshouders zenuwachtig geworden en hem gevolgd”.

Het per 1 januari van dit jaar van kracht geworden Verplaatsingsbesluit maakt de verhuizing mogelijk. Veeboeren kunnen sinds die datum mestquota van boeren die ermee ophouden kopen en daarmee hun bedrijven uitbreiden. Aangezien de mestconcentratiegebieden in Oost-Brabant, Limburg en Gelderland vol zitten en de bedrijven er aan de grenzen van hun uitbreidingsmogelijkheden zitten, zochten de boeren al veel langer uitwijkmogelijkheden in gebieden met veel minder mest. Van Genugten: “Ik begrijp niet zo erg veel van de opschudding. Het gaat maar om een zeer klein deel van de varkensstapel, hooguit 1 procent en toch staat half Nederland op z'n kop. Van ons is niks te vrezen, maar de doorsnee burger is onwetend over de technische maatregelen die zijn getroffen om de milieubelasting tegen te gaan en de plaatselijke actiegroepen hebben er baat bij om ons in een kwaad daglicht te stellen.”

Secretaris G. Smallegange van de landbouworganisatie ZMO in Goes: “De ruimte die er in ons werkgebied is voor het beginnen van veehouderijen zagen we liever toegewezen aan Zeeuwse akkerbouwers, die in de problemen zitten en die er door deze nevenactviteit weer wat beter voor kunnen komen te staan. Door de dreiging uit het Oosten zijn veel gemeentebesturen nu kopschuw geworden met het gevolg dat ze de bestemmingsplannen zijn gaan dichttimmeren waardoor ook de mogelijkheid voor de eigen Zeeuwse akkerbouwers worden beperkt. Bovendien gaat het om mammoetbedrijven en die passen niet in het patroon van de kleinschaligere gezinsbedrijven op Zeeuwse grond”.

Inmiddels lijkt het vet van de soep te zijn gehaald. Door de opschudding heeft een groot aantal gemeenten zogenoemde voorbereidingsbesluiten genomen tot wijziging van hun bestemmingsplannen. Voor de aanvragen die voor 1 januari werden geplaatst, maakt dat geen verschil uit; die moeten worden behandeld en gehonoreerd voor zoverre ze niet in strijd zijn met de bestaande bestemmingsplannen. De behandeling van nieuwe aanvragen daarentegen kan met het nemen van een voorbereidingsbesluit met een jaar worden vertraagd. Aannemer Wouters uit Schijndel betreurt dat: “Het is een slechte zaak, want dat betekent dat het in Brabant veel te vol blijft omdat de mogelijkheden naar andere gebieden uit te wijken zijn afgesloten.”