Ritzen heropent besprekingen over OV-kaart

DEN HAAG, 23 JUNI. Minister Ritzen (onderwijs) gaat onder druk van de Tweede Kamer opnieuw besprekingen aan met de NS en de busmaatschappijen over de OV-jaarkaart voor studenten.

De Kamer wil de regeling versoepelen voor studenten die alleen door de week gebruik maken van de kaart.

De huidige OV-kaart voor studenten wordt op grond van een vorig jaar gesloten contract tussen Ritzen en de vervoermaatschappijen afgeschaft. In plaats daarvan moeten studenten vanaf november kiezen uit twee kaarten: een met vrij reizen van maandag tot vrijdag of een die alleen in het weekeinde geldig is. De laatste kaart is goedkoper en gaat op vrijdagmiddag vier uur in. De Kamer vreest nu onder meer onderwijskundige complicaties omdat studenten met een doordeweekse kaart hun colleges op de late vrijdagmiddag zullen verzuimen om op tijd op hun weekendbestemming aan te komen.

Verschuiving van de grens tussen week en weekendkaart naar vrijdagavond zes uur, zoals de Kamer wil, zal volgens Ritzen ongeveer 77 miljoen gulden extra kosten. Het contract zal daarvoor moeten worden opengebroken. Ritzen had onder meer voor de vrijdagmiddaggrens gekozen om de duurdere weekkaart niet te aantrekkelijk maken.

De Tweede Kamer toonde zich gisteren tijdens een debat met Ritzen ook ontstemd over het feit dat Ritzen de Staat juridisch heeft gebonden aan een nieuw OV-jaarkaartcontract ter waarde van ruim 700 miljoen zonder dat de Kamer zich er over heeft kunnen uitspreken. Ritzen zegde toe voortaan in dergelijke contracten een ontbindende voorwaarde te laten opnemen die de geldigheid afhankelijk maakt van goedkeuring van de Kamer.

De Kamer wist Ritzen verder te overtuigen dat het mogelijk moet worden om binnen de nieuwe tempobeurs - waarin de beurs wordt gekoppeld aan studievoortgang - studiepunten 'op te sparen' voor een volgend jaar. Het uitstel tot 1995 van de verhoging van de norm in de tempobeurs (tot 50 procent behaalde studiepunten binnen een jaar) waartoe Ritzen eerder deze week besloot kreeg steun van alle partijen behalve het CDA.

Het CDA heeft er ten slotte bezwaar tegen dat Ritzen een voorgenomen verlaging van de basisbeurs vier maanden wil uitstellen tot 1 januari 1995. Mede uit onvrede met dit uitstel diende Lansink (CDA) een amendement in waarin goedkeuring wordt onthouden aan de bezuinigingen op de studiefinanciering na 1995. Hierdoor ontstaat in 1996 een gat in de begroting van 160 miljoen.