Offensief in Wit-Rusland fatale verrassing voor Wehrmacht

Op 23 juni 1944 begon de Sovjet-Unie een offensief tegen Duitsland dat beslissend zou blijken. Terwijl het Westen in de ban was van D-day en de taaie gevechten daarna, brak het Rode Leger aan het Oostfront de rug van de Wehrmacht. Vijfentwintig Duitse divisies werden vernietigd. Tweede deel in een serie over de geallieerde herovering van Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog.

“Erger dan 'Stalingrad' ”, aldus het logboek van het Duitse opperbevel. “Een regelrechte catastrofe”, schreef de Duitse generaal Heinz Guderian, architect van de Blitzkrieg en inspecteur-generaal van de Duitse pantsereenheden, in zijn autobiografie. Zij refereren aan operatie Bagration, het zomeroffensief dat de Sovjet-strijdkrachten op 23 juni 1944 begonnen, twee weken na operatie Overlord, de geallieerde landingen in Normandië.

Bagration - de naam van een Russische held uit de oorlog van 1812 tegen Napoleon - zal in het Westen wel altijd in de publicitaire slagschaduw blijven staan van de D-day-landingen en de moeizame gevechten daarna. Toch maakte dit grootscheepse offensief in vijf weken tijd 350.000 Duitse slachtoffers en wierp de resten van het sterkste Duitse leger 600 kilometer westwaarts tot halverwege Polen terug. En passant werd ook nog eens de Duitse Legergroep-Noord in de Baltische staten met omsingeling bedreigd. In termen van terreinwinst en toegebrachte verliezen aan manschappen en materieel overtrof Bagration verre het succes van Overlord.

Het Oostfront was sinds de winter van 1941 het toneel geweest van grootscheepse aanvallen en tegenaanvallen. Daarbij had het Rode Leger langzaam maar zeker de overhand gekregen. Nadat de Duitse opmars in de winter van 1941 vlak voor Moskou tot staan was gebracht, was de Wehrmacht in de daarop volgende zomer tot diep in het zuidwesten van de Sovjet-Unie doorgedrongen. In de winter van 1942 leden de Duitsers hun grote nederlaag bij Stalingrad. In 1943 deden de Duitsers nog een poging om het front in de steppen bij Koersk open te breken. Maar Russische tegenaanvallen verijdelden dit en drongen de Duitsers in de Oekraïne terug tot achter Kiev. In de eerste zes maanden van 1944 werden de rest van de Oekraïene en de Krim door de Sovjet-legers bevrijd.

Het noordelijke front - ten oosten van de Baltische staten, en Wit-Rusland - had tot de zomer van 1944 relatieve rust gekend. De Duitsers hadden nog steeds Vitebsk in handen in het noordoosten van Wit-Rusland. Naar die stad was de Vitebsk-route genoemd, de traditionele invasieroute richting Moskou, 400 kilometer verderop, waarvan al veel vreemde legers gebruik hadden gemaakt.

En hoewel de dreiging voor Moskou kleiner was dan in de voorgaande drie jaren, vreesden de Russen dat de Duitse luchtmacht vanuit Wit-Rusland de bombardementsvluchten op de Russische hoofdstad zou opvoeren. Na de Russische successen in het zuiden van de Sovjet-Unie was een aanval op het noordelijk deel van het front dus onvermijdelijk.

Om de Duitsers ervan te overtuigen dat Wit-Rusland een secundair front zou blijven, ondernam het Sovjet-opperbevel een ambitieuze misleidingsoperatie (maskirovka). Hitler, die zelf economische overwegingen bij zijn militaire strategie altijd zwaar liet wegen, werd in de waan gelaten dat de Sovjet-legers vanuit de Oekraïne zouden doorstoten naar de voor Duitsland belangrijke olievelden bij Ploesti in Roemenië. De hoofdkwartieren van de Russische tanklegers bleven in de Oekraïne gewoon in functie, maar hun tankeenheden verhuisden in de loop van mei onder dekking van de duisternis naar het noorden. Voorraden werden ondergronds en eveneens 's nachts aangelegd en in de verzamelgebieden heerste absolute radiostilte.

De Duitse legerinlichtingendienst voor het Oostfront, Fremde Heere Ost, onder leiding van kolonel Reinhard Gehlen, ontging al deze voorbereidingen. Afgaand op Gehlens bevindingen en Hitlers vermoedens verplaatste de Duitse chef-staf, generaal Kurt Zeitzler, zelfs de complete Panzer-reserve vanuit Wit-Rusland naar het zuiden, richting Oekraïne.

De datum voor het begin van het Russische offensief werd vastgesteld op 23 juni. De aanval zou in de vroege ochtend beginnen. De Russische maarschalken Georgi Zjoekov en Aleksandr Vasilevski hadden het bevel over vier aanvallende legergroepen, fronts geheten, met meer dan anderhalf miljoen manschappen en 5.000 tanks en stukken zelfrijdend geschut. De nietsvermoedende Duitse veldmaarschalk Ernst Busch, commandant van Legergroep-Midden, bevond zich met 1,2 miljoen man tegenover hen. De Duitsers konden over 900 tanks beschikken. In artillerie had het Rode Leger een overwicht van drie tegen één.

Al op 19 juni begonnen Russische partizanen met het opblazen van het spoorwegnet achter de Duitse linies. Meer dan 140.000 van hen bevonden zich in het Wit-Russische achterland, vooral in de uitgestrekte Pripjet-moerassen. Bijna 150 treinen met troepen en voorraden liepen door toedoen van deze acties uit de rails. De Duitsers, die inmiddels onraad roken, waren echter nauwelijks meer in de gelegenheid versterkingen uit het zuiden aan te voeren.

In de voorgaande jaren had het Rode Leger altijd dezelfde tactieken laten zien bij het openen van de aanval. Een urenlang artillerie-bombardement maakte daar vast onderdeel van uit. Na een korte pauze rukten dan de Russische tanks op. De Duitse eenheden vielen als antwoord hierop altijd terug op hun verdedigingslinies in de diepte om de voorposten aan het front vervolgens weer snel te bemannen in de pauze tussen de beschietingen en de Russische tankaanvallen.

Ook operatie Bagration begon op de 23ste juni met artilleriebeschietingen, maar die duurden deze keer slechts kort, zodat Russische verkenners de Duitse stellingen eerder konden innemen dan de Wehrmacht-eenheden zelf. Na het slaan van bressen in de Duitse verdediging drongen speciaal daarvoor georganiseerde en uitgeruste tankeenheden, zogeheten Reyd-formaties, ver door in de Duitse achterhoede.

Binnen een week werd een heel Duits legerkorps van 35.000 man in Vitebsk vernietigd, terwijl Hitler en zijn staf nog druk vergaderden over de wenselijkheid deze eenheden terug te trekken. De Wit-Russische hoofdstad Minsk viel op 3 juli. Meer dan honderdduizend soldaten waren daar eingekesselt.

De opmars ging de gehele maand juli door, waarbij de Sovjets 3.500 stukken geschut door de Pripjet-moerassen naar het westen verplaatsten. Brest-Litovsk in Polen viel op 27 juli en Warschau werd bedreigd. Het Rode Leger rukte op naar Riga in Letland en bedreigde een deel van de Duitse Legergroep-Noord in Estland en ten zuiden van Leningrad.

Hitler verplaatste zijn hoofdkwartier hierop naar Rastenburg in Oost-Pruissen en onthief Busch van zijn bevel. Veldmaarschalk Walter Model kreeg nu het bevel over de Duitse strijdkrachten in dit deel van het Oostfront, of, zoals Guderian schreef: “over het gat van vijfhonderd kilometer waar eens Duitse troepen stonden opgesteld”. Model schraapte alle beschikbare troepen bij elkaar om het Rode Leger in zijn opmars te stuiten. Dat dit, zij het voor korte tijd lukte, had echter meer te maken met de steeds langer wordende aanvoerroutes voor de Sovjet-strijdkrachten dan aan de Duitse tegenstand.

Het hele Oostfront zou tot het einde van 1944 nauwelijks meer rustige momenten kennen. In de herfst gingen de Baltische staten, Roemenië en Bulgarije verloren. En langzaam maar zeker begonnen de plaatsnamen in de frontberichten in de Duitse kranten de lezers bekend in de oren te klinken. De Bolsjeviken stonden aan de grenzen van het Reich.