Oerend hard en plat door de bocht

Wat in 1925 begon als een primitieve rit over zand en grindwegen, waar Nortons en BMW's - in stofwolken gehuld - de fantastische gemiddelde snelheden van bijna 100 kilometer per uur bereikten, is in zeven decennia uitgegroeid tot een klassiek en professioneel georganiseerd motorevenement, dat tienduizenden toeschouwers trekt. Ook de 64ste Dutch TT, de Lucky Strike Dutch Grand Prix, van aanstaande zaterdag zal weer over de honderdduizend liefhebbers trekken: het Carnaval van het Noorden.

Voor een lijst van adressen waar plaatskaarten verkrijgbaar zijn: TT Bureau, Postbus 150, 9400 AD Assen. Inl 05920-55000, fax 56911.

Even pauze. Handschoenen uit, helmen af, en haren losschudden. Er hangt nevel over de Beulaker Wijde, veenplas onder de rook van het Drentse Giethoorn. De klaaglijke roep van een meerkoet en het getik van afkoelende motoren zijn de enige geluiden in de vroege ochtend. Of toch niet? Van ver over het water, en ook uit andere richtingen, klinkt gebrom, gezoem, gezuig, gedonder.

Motoren. Honderden, duizenden Harleys, Triumphs, Honda's en Yamaha's zijn op weg naar het Circuit van Assen waar de jaarlijkse TT gehouden wordt. Uit België, Duitsland en Nederland komen ze; crossers, toerders, racemonsters, krasse knarren en in geil leer gestoken meiden.

Naar verwachting zo'n 120 tot 150 duizend toeschouwen komen op 25 juni voor de strijd tussen de rivalen Kevin Schwantz en Michael Doohan, die op het 6,8 kilometer-lange circuit met hun Honda en Suzuki gemiddelden van bijna tweehonderd kilometer halen. En voor de Nederlanders natuurlijk; de broertjes Patrick en Jurgen van den Goorbergh, Wilco Zeelenberg, Hans Spaan. Drievoudig wereldkampioen in de zijspanrace Egbert Streuer uit Assen zal er niet zijn; hij nam onlangs met een groot feest definitief afscheid van de racerij.

Dat Assen nog altijd mag rekenen op een massale volkstoevoer is opmerkelijk. Het zijn zorgelijke tijden voor de Grand Prix motorraces sinds de Britse Formule-I baas Bernie Ecclestone er de scepter zwaait. Ecclestone vraagt wurgende bedragen van de circuits die willen deelnemen aan het Grand Prix seizoen. En daarmee drijft hij de entreeprijzen voor de toeschouwers enorm op; de tribunes van het machtige Motodrome in Hockenheim, Duitsland en Donington Park in Engeland bleven dan ook troosteloos leeg.

Bovendien heeft Assen aan nationale charme ingeboet omdat de racerij steeds meer wordt gedomineerd door fabrieksrijders; voor Nederlandse privé-rijders die nu eenmaal geen motorindustrieën achter zich hebben staan, is het al jaren zo goed als onmogelijk om in de voorste gelederen mee te rijden. Maar dàt doet aan de beroemde sfeer van het Drentse circuit geen afbreuk. Als, bijvoorbeeld, Loek Bodelier in de 125 cc klasse in een spectaculaire inhaalmanoeuvre zijn voorganger passeert en daarmee opschuift naar een tiende plaats, dan juicht het publiek als stevende hij af op de overwinning, en zie je langs de kilometerslange tribunes en taluds rond het circuit, een wave van wapperende programmaboekjes de rijder volgen.

Wie een keer naar de Dutch TT is geweest, heeft of voor altijd genoeg van dit feest van bier, worst en jankende motoren, of keert ieder jaar terug naar 'die bijna heilige asfaltslinger in het noorden des lands'. Nico Willemse uit Oss is zo iemand die sinds zijn eerste TT in 1971 maar één of twee keer verstek liet gaan. Met een groep van tien, vijftien motoren vertrekt hij ieder jaar op die laatste zaterdag van juni in het holst van de nacht richting Assen: “Vroeger gingen de vriendinnen mee, achterop. Toen er kindjes kwamen bleven zij thuis, toen die groot genoeg waren mochten ze mee. Sommigen rijden inmiddels zelf een motor. Net als de vrouwen, want die nemen ook geen genoegen meer met een plaatsje op de buddyseat.”

Over secundaire wegen, “met lekker veel bochtenwerk” gaat de tocht, en met snelheden die deze anders zo verantwoordelijke motorrijders zich maar een keer per jaar veroorloven, worden slaperige dorpjes opgeschrikt. Bij de jaarlijkse rite hoort een stop bij café Het Rieten Dak, zo'n 45 kilometer voor Assen, waar het om zeven uur een komen en gaan is van motorrijders en waar de kroketten op dit vroege uur al gretig aftrek vinden. Bij aankomst op het circuit wordt de vaste stek bij het Meeuwenmeer ingenomen, “want daar heb je mooi uitzicht op vier, vijf bochten.” Tot de races - pas uren later - beginnen, wordt de tijd gedood met het doen van voorspellingen. En gelachen wordt er, om de fratsen van de bezoekers die al een of meer nachten rond het circuit hebben vertoefd.

Want dat is een andere categorie TT-gangers. Komen ze eigenlijk wel voor de races, of niet veeleer voor 'een ruige vorm van amusement'? zoals sociaal-psycholoog G.P. van de Sande van de Groningse universiteit het noemt. “Die jongens die houden van 'oerend hard', tuk op sensatie en vechtpartijen.” Vooral het buurdorp Witten is in de week van Assen een vrijstaat. TT-bezoekers die hier in de weilanden hun tenten hebben opgeslagen “wentelen zich in slik en bier”, surveillerende politiemensen worden uitgedaagd met spontane stripteases en onsmakelijke grappen, en zatlappen worden door omstanders aangemoedigd om levensgevaarlijke stunts uit te halen. “Terwijl ze weten dat daar soms doden bij vallen; dat vinden mensen blijkbaar toch interessant”, aldus het onderkoelde commentaar van Van de Sande.

In Assen zelf hebben de organisatoren de zaak al weer jaren onder controle. Samen met onderzoekers van de faculteit psychologie van de Rijksuniversiteit Groningen werd een doeltreffende methode ontwikkeld om de menigte in bedwang te houden. Verveling, zo werd geconstateerd, was de voornaamste oorzaak van het 'relgedrag'. Afleiding bieden was dus het devies; met sensationele acts - cartraces, rodeostieren - muziek, een grote kermis. Observatoren in het publiek waarschuwden als ergens de pas vertraagd werd en men zoekend om zich heen ging kijken; en uit strategisch geplaatste luidspeakers klonk dan de aankondiging van een nieuw spannend evenement, zodat het publiek zich onmiddellijk daarheen begaf.

Mede omdat de Assenaren zelf weer met volle teugen deelnemen aan dit 'carnaval van het noorden' - en een 'neutraliserende invloed' hebben op het publiek, blijven escalaties achterwege. “En als een paar jongens zo nodig onderling iets uit te vechten hebben, dan laten we ze”, zegt A. Tjarks van de Werkgroep Nacht van Assen. Om twee uur is het rustig in de stad.

Zo niet op de campings; daar wordt tot in de vroege uurtjes aan Bacchus geofferd, en tegen de tijd dat de Willemses uit Oss met hun groep arriveren vermaken zij zich met het dronkemanscabaret, tot rond elf uur, half twaalf de 250 cc klasse start, gevolgd door de 500 cc - de koningsklasse - de 125 cc en tenslotte de zijspanrace. In onvergelijkelijk motorjargon worden de verrichtingen van de rijders becommentarieerd; de machines 'lopen als vergif', de rijders 'gaan onwijs laat in de ankers', of 'waanzinnig plat door de bocht' en schuren met de kniestukken over het asfalt. Als de winnaar van een klassement zijn ererondje rijdt scanderen de toeschouwers 'wheelie! wheelie! wheelie', en dus trekt die zijn voorwiel de lucht in, onderwijl triomfantelijk zwaaiend en kushandjes uitdelend.

“Het samen beleven,” antwoordt Twannie Willemse eenvoudig op de vraag wat de TT voor haar betekent. Hoe het publiek massaal omhoog veert als een rijder onderuit gaat; de opluchting als hij na een stuiterval die het ergste doet vrezen, opspringt en zijn machine aan de praat probeert te krijgen. Woedende armgebaren als dat niet lukt, en dan toch een hinkend been als hij verslagen het terrein verlaat. Zo goed loopt het overigens niet altijd af. De herinnering aan een crash met dodelijke afloop, die vlak voor haar ogen plaatsvond, speelt Twannie Willemse nog wel eens door het hoofd. Nico is er nuchterder onder; “Die nare dingen stop je weg.”

Zijn mooiste herinnering bewaart hij aan de TT van 1977, toen Wil Hartog in de 500 cc klasse kampioen werd; “een waar volksfeest, waar 100.000 man met hun programmaboekjes stonden te zwaaien.” Volgens de overlevering zou er de eerste twintig jaar op de dag van TT geen druppel regen zijn gevallen; een zegen voor zowel rijders als publiek. Maar er zijn natuurlijk jaren dat het van 's morgens vroeg tot 's avonds laat gestaag naar beneden sijpelt. Als de taluds in glibberige glijbanen veranderen, de nattigheid door het leren motorpak dringt en het geduld nog meer op de proef wordt gesteld - want eerst moeten de rijders hun slicks wisselen voor regenbanden - houden de Ossenaren de stemming erin: met boerenbont-plastic bouwen ze een provisorisch afdak, en al wie daaronder past, schuift aan. Zo draagt slecht weer bij tot de broederschap.

En dan, als ook de zijspanrace er op zit, wordt de bagage bijeen gegraaid, en enigszins versuft van het motorgeweld begeven de toeschouwers zich naar hun eigen motoren. Een meisje met een vettige permanent en besmeurde kleren tolt op haar benen, neemt een laatste slok uit een blikje Heineken, en stapt achterop bij haar evenmin broodnuchtere vriend. Knie aan knie, en metertje voor metertje gaat het, 't zompige weiland af, de oprit van de snelweg op. Maar in tegenstelling tot wat je zou verwachten; dat deze helden na een dag als vandaag 't snot voor je ogen weg willen rijden, trekt de kolonne beheerst op. Onder het sonore gedreun van tienduizenden motoren zwaaien de bijrijders naar de zwarte mensenmenigte op de viaducten, en naar de toeschouwers die zich op tuinstoelen langs de weg hebben geposteerd. Publiek voor het publiek.