Nieuwe uitvoering Monteverdi's Orfeo wekt verbazing; Woest krakend herdersspel

Holland Festival. Monteverdi/Maderna: Orfeo. Rotterdams Philharmonisch Orkest, Laurenscantorij en Kamerkoor Rotterdams Conservatorium o.l.v. Mark Minkowski met Judith Howard, Véronique Gens, Kathleen Kuhlman, Guy de Mey, Laurent Naouri, Nicolas Cavallier en Gary Relyea. Gehoord: 22/6 Concertgebouw, Amsterdam. Herhaling: 24/6 De Doelen, Rotterdam.

Op 24 februari 1607 ging in Mantua de eerste volwaardige opera in première: Claudio Monteverdi's Orfeo, een zoet herdersspel gezet op de meest elegante verzen van Alessandro Striggio jr. in de Toscaanse taal. Dit ter opluistering van het feest van de Accademia degli Invaghi (in 1562 gesticht door Cesare Gonzaga).

Meestal hoort men een authentieke uitvoering van Orfeo, en bijna steeds wordt dan het accent geplaatst op het lieflijke karakter, een Orfeo als zoet herdersspel met vriendelijk happy end. Maar Maderna - een theaterman in hart en nieren - onderstreepte in zijn Orfeo het werk als een muziekdrama, niet als pastorale maar als tragedie, vol donkere tinten, gonzend zwaar.

Gisteravond in de Grote Zaal van het Concertgebouw met uitpuilend podium herinnerde mij deze uitvoering aan een mammoettanker die nauwelijks te stoppen is. De watervlugge maatwisselingen, bij Monteverdi verend dansend van opzet, kregen een woest Sacre-karakter. Ook de Boris-klokken of de Puccini-strijkers hadden bij Monteverdi niets te zoeken maar waren weer wel dramatisch terzake. Helaas werkte dat zware orkestapparaat, krakerig martiaal, als een tanker die onderweg nogal wat olie verloor (veel ongelijkheden), de arcadische stranden met donkere smurrie besmeurend, waar lichtvoetige herders en herderinnen nogal eens in vast bleven plakken. Maar anderzijds was het wel een tanker bekleed met de meest vrolijke en kleurige vlaggetjes.

Elke keer weet Maderna je weer te verbazen met zijn ongebreidelde klankfantasie. Vooral de hoge blazers vlochten prachtige en sierlijke lijnen door de zang heen en elke keer als een ritornello terugkeerde, had Maderna een nieuwe kleurencombinatie paraat.

Na een eerste gewenningsproces kon men daar steeds meer waardering voor opbrengen. Geleidelijk bekende Laurent Naouri meer kleur, wat eigenlijk gold voor de hele cast. Judith Howarth (in liefst vier rollen) klonk dramatisch en wat scherp aangezet. Milder en ronder waren de stemmen van Kathleen Kuhlmann (zeer fraai van timbre als Messaggera) en Véronique Gens (bijzonder wendbaar in kleinere rollen). Gary Relya was een vereiste diepe bas als Caronte en Nicolas Cavallier klonk daarentegen weer prachtig mild van timbre als Plutone. Guy de Mey ten slotte overtuigde hartstochtelijk als edelman (Uno Spirito en Apollo).

Al met al een curieuze presentatie deze concertante uitvoering van Monteverdi's eerste zo succesvolle opera. Maar het publiek reageerde enthousiast.