Nederlandse overheid is relatief klein

DEN HAAG, 23 JUNI. Vergeleken met andere Europese landen heeft Nederland een relatief kleine overheid en gesubsidieerde sector. Alleen Duitsland heeft een kleinere publieke sector. Dat blijkt uit het rapport Public Employment, een vergelijkende studie naar de werkgelegenheid bij de overheid en door de overheid gesubsidieerde instellingen in zes Europese landen, uitgevoerd door het Instituut voor Arbeidsvraagstukken te Tilburg.

In Nederland heeft 24 procent van de werkende beroepsbevolking een baan in de publieke sector, in West-Duitsland was dat in het onderzoeksjaar 1991 19 procent. Het aandeel werknemers in de publieke sector in België, Zweden en Denemarken is met 30, 32 en 35 procent beduidend groter. In het Verenigd Koninkrijk werken ongeveer evenveel mensen bij de overheid en in de gesubsidieerde sector (ziekenhuizen, thuiszorg, maatschappelijk werk, bejaardenoorden).

Binnen de sector veiligheid (politie, gevangeniswezen, rechtelijke macht) blijkt Nederland de omvangrijkste personeelsinzet van alle onderzochte landen te hebben. Een onderwijskracht in Duitsland bedient zo'n 30 procent meer personen dan in Nederland. Dat is opvallend, omdat volgens de onderzoekers “de Duitse beroepsbevolking niet minder gekwalificeerd is dan de Nederlandse”. In de gezondheidszorg bedient een Duitse werknemer 60 procent meer personen dan een Nederlandse collega. Ook dat is opmerkelijk, gelet op het beperktere voorzieningenpakket in Duitsland. Bij defensie beschermt een militair in Nederland 125 inwoners. In drie landen is sprake van een geringere arbeidsintensiteit dan in Nederland: het Verenigd Koninkrijk met 1 op 141, Duitsland met 1 op 157 en Zweden met 1 op 193. Denemarken scoort 1 op 116 en België 1 op 105.

Over de reden waarom in Nederland relatief meer mensen bij politie, gevangeniswezen en rechtelijke macht werken laten de onderzoekers zich niet uit. Daarvoor is nader onderzoek vereist. Maar het is des te meer opvallend omdat bij de onderhandelingen over een paarse coalitie juist aangestuurd wordt op meer politie. Volgens directeur arbeidszaken overheid van het ministerie van binnenlandse zaken, drs J. Sikkel, “kan het onderzoek aanknopingspunten geven voor nieuw beleid”. Sikkel noemt het onderzoek “qua methodiek baanbrekend” omdat voor het eerst de gebruikte definities van ambtenaren en overige werknemers in de publieke sector in de landen op elkaar zijn afgestemd. Als uitgangspunt golden daarvoor de Nederlandse definities.

Opvallend zijn de duidelijke verschillen tussen Duitsland en de Scandinavische landen. West-Duitsland (van Oost-Duitsland bestond in 1991 nog geen betrouwbaar statistisch materiaal) heeft een kleine overheid en een zeer kleine gesubsidieerde en gepremieerde sector. Toch telt Duitsland relatief weinig inactieven (werklozen, arbeidsongeschikten, zieken). Een relatief sterk bedrijfsleven weet de inactiviteit in Duitlsand beperkt te houden. Zweden en Denemarken hebben nog minder inactiviteit, maar dat komt omdat in die landen relatief veel werknemers een baan bij de overheid hebben. In Zweden en Denemarken is 42 procent van de werkgelegenheid gerelateerd aan de overheid. Nederland heeft na België de meeste inactieven. Zij kunnen kennelijk noch in het bedrijfsleven, noch bij de overheid aan de slag.