Na euforie van wereldtentoonstelling is het weer stil in Zuid-Spanje

LINARES, 23 JUNI. Over een lengte van een paar honderd meter hangt het hekwerk langs het terrein van de auto-fabriek Santana in het Zuidspaanse stadje Linares vol met vlaggen, vaandels en spandoeken. In de zinderende hitte van de Andalusische middag bewegen de teksten zachtjes in de wind: de vrouwen zijn solidair met de arbeiders van de auto-fabriek, de mannen uit een naburig dorp ook en een aantal vakbonden eveneens. Santana moet open blijven, staat met grote letters gekalkt op de muren van de verouderde montagehallen. En Manuel Chaves en Yosuo Miyoshi, respectievelijk president van de Andalusische regioregering en de van aandeelhouder Suzuki afkomstige directeur van Santana, zijn niet minder dan ladrones, dieven en oplichters.

Santana, een middelgrote assemblage-fabriek van Suzuki-terreinwagens in het Andalusische stadje Linares geniet landelijke bekendheid. Eind vorig jaar werd bekend dat de Japanse aandeelhouder weinig brood meer ziet in verdere deelname. Sindsdien geldt Santana als een symbool van de onmacht van de Spaanse overheden om de economie weer in het rechte spoor te krijgen. Dat de fabriek in Andalusië ligt maakt de zaak nog symbolischer. Met een werkloosheid van tussen de 18 en de 24 procent (afhankelijk van de manier van registreren) staat Spanje verreweg nummer een binnen de Europese Unie. En binnen Spanje geldt Andalusië (twee keer zo groot als Nederland, zeven miljoen inwoners) als de regio met gemiddeld de hoogste werkloosheid: 885.000, een op de drie Andalusiërs, heeft geen baan.

In het kantoor van de afdeling Linares van de CCOO, de communistische vakbond, bladert Sebastián Fernández peinzend door de dikke stapel met publikaties die sinds het begin van dit jaar zijn verschenen. Santana maakt geschiedenis: de voettochten van honderden kilometers naar Madrid en Sevilla door Santana-arbeiders, de blokkade van het station van Linares, waarbij Santana-arbeider Norberto Prados door de politie zo hard op zijn hoofd werd geslagen dat hij hij een oog moest missen, en het aftreden van de gouverneur van Andalusië in verband met het uit de hand gelopen politie-optreden.

Stilgezeten is er niet maar of het allemaal veel zal uithalen is nog maar de vraag, meent de vakbondsafgevaardigde. Suzuki, die de autofabriek in 1984 overnam, is van plan om eind volgend jaar definitief uit Santana te stappen. De regioregering van Andalusië pompte de afgelopen jaren tientallen miljoenen guldens in de fabriek om de Japanners in Linares te houden. “Maar mulitnationals zijn nu eenmaal onbetrouwbaar”, zucht Fernández.

Dat geldt volgens hem trouwens ook voor de regioregering. Want al heeft de regio inmiddels een kleine 180 miljoen gulden toegezegd om de sterk verouderde fabriek op de been te houden, Fernández heeft weinig vertrouwen in de garanties voor de toekomst. Het geld zal vooral worden benut voor de vervroegde uittreding van een deel van de 2500 werknemers: 550 nu en volgend jaar nog eens 350. En intussen is het hopen op een nieuwe aandeelhouder die in de kwakkelende fabriek van terreinwagentjes wil investeren. De sluiting van Santana is een ramp voor het 70.000 zielen tellende Linares, zegt Fernández. Met alle directe toeleveringsbedrijven is er de werkgelegenheid van 6000 mensen mee gemoeid. “Als Santana verdwijnt, verdwijnt hier de hele economische infrastructuur”, aldus Fernández.

De economische problemen van Andalusië zijn de economische problemen van Spanje, maar dan in het kwadraat. Sinds de euforie van de wereldtentoonstelling in Sevilla, twee jaar geleden, is het weer stil geworden in het zuiden. De regio kampt met een verouderde industrie, afgezien van de staatsprojecten wordt er weinig geïnvesteerd, het internationale bedrijfsleven laat het “Californië van Europa” links liggen en grote delen van de bevolking zijn nog steeds afhankelijk van laaggeschoold en seizoensgebonden werk in de landbouw.

Ook politiek houdt Andalusië Spanje een spiegel voor: bij de recente verkiezingen kreeg de regioregering van de PSOE onder leiding van president Manuel Chaves een historische nederlaag te incasseren. Voor het eerst in twaalf jaar raakten de socialisten hun absolute meerderheid kwijt. Het was de tol van de onvrede over de werkloosheid en het falende economische beleid. Traditionele PSOE-kiezers liepen over naar de rechtse oppositiepartij Partido Popular, naar de linkse oppositie-combinatie Izquierda Unida, of bleven weg bij de stembus.

Toch bestaat er geen twijfel over in Andalusië: er is de laatste tien jaar veel ten goede veranderd: miljarden peseta's aan staatssubsidie in het kader van agrarische ontwikkelingssteun hebben de arbeidsomstandigheden van de dagloners verbeterd, de sociale woningbouw bevorderd en de dorpen de financiële ruimte gegeven om de wegen te onderhouden, parkjes aan te leggen en sportfaciliteiten op te zetten. De afgelopen vijf jaar werd de kinderarbeid succesvol uitgebannen door een efficiënt inspectiesysteem en het verstrekken van maaltijden op school tijdens oogsttijd.

Honger wordt er niet meer geleden, maar dat neemt niet weg dat er wel degelijk armoede heerst. Vooral de ouderen moeten vaak van onwaarschijnlijk lage inkomens rondkomen. Zoals in de deelprovincie Jaén, waar elf procent van de bevolking minder dan 240 gulden per maand ontvangt. De jornaleros ofwel dagloners in de landbouw hebben alleen gedurende de oogsttijden werk en moeten voor de rest van het jaar rondkomen van iets meer dan 500 gulden per maand. Wie met de auto door Andalusië trekt ziet wat dat in praktijk betekent: bij ieder stoplicht staat wel iemand een slof smokkelsigaretten te venten, de doorgaande wegen zijn veranderd in kilometers lange markten waar de sinaasappels, meloenen en aardbeien zwart over de toonbank gaan en elke parkeerplaats kent een eigen ploeg zelfbenoemde parkeerwachters die de auto's naar een vrije plaats loodsen.

Humilladero in de provincie Málaga is een voorbeeld van een agrarisch dorp dat voor zijn bestaan vrijwel volledig afhankelijk is van de landbouw. De bezoekers van de centrale bar in de hoofdstraat, waar zich rond het middaguur de mannen verzamelen, schatten dat verreweg het grootste deel van de circa 500 families van Hummilladero moet rondkomen van een daglonersinkomen. Op dit moment is er vrijwel geen werk in Humilladero, dat voor het grootste deel afhankelijk is van de olijvenoogst en die loopt van oktober tot februari. “Veel trekken naar het noorden en naar Frankrijk”, verklaart een van hen. “Als je hier blijft leef je bij de dag: werken als er werk is en verder met steun van de familie zien te overleven.”

Ondanks alles laat Humilladero geen indruk achter van armoe en verpaupering: de oude huizen zijn netjes witgekalkt, het hoofdstraatje met de sinaasappelboompjes ligt er fraai bij en er is een parkje voor de ouderen. Een en ander is vooral te danken aan het Plan de empleo rural (PER), een uitgebreide subsidieregeling van de regioregering die vorig jaar goed was voor 266 miljoen gulden. En aan de inspanningen van Juan Francisco Gutiérrez, die als burgemeester al dertien de scepter zwaait over Humilladero en maximaal van de regiosubsidies wist te profiteren. In het gemeentehuis vergelijkt Gutièrrez met gepaste trots een oude luchtfoto van zijn dorp met de nieuwe situatie: er is een zwembad bijgekomen, een voetbalveld, een industrieterrein, eem medisch centrum en een wijk met sociale woningbouw. Het subsidiebeleid heeft vooral bij de rechtse Partido Popular, de grote winnaar bij de onlangs gehouden regioverkiezingen, nogal wat kritiek ontmoet. De socialistische PSOE zou bezig zijn met het afkopen van problemen, terwijl Andalusië als 'subsidieverslaafde' nooit leert op eigen benen te staan.

Ten onrechte meent burgemeester Gutiérrez, zelf lid van de linkse oppositiecombinatie Izquierda Unida. “We moeten natuurlijk niet voortdurend onze hand ophouden. Maar bij het opzetten van projecten en nieuwe initiatieven is steun van de overheid onontbeerlijk.” De stembusnederlaag van de socialisten komt voor hem dan ook niet uit de lucht vallen. “Het ontbreekt aan een duidelijk totaalplan, aan voldoende middelen en aan politieke wil.”

Naast Andalusië's traditionele landbouwprodukten - olijven, zonnebloemen, sinaasappelen - zou er volgens hem meer geïnvesteerd moeten worden in andere fruitprodukten. Het verbouwen van aardbeien en specifieke meloensoorten is er een bescheiden succes geweest, maar wat Andalusië ontbeert is een eigen verwerkingsindustrie voor haar produkten, commerciële afzetkanalen en nieuwe intitatieven op gebied van kleine bedrijfjes. “Je hebt hier te maken met een vrij traditionele cultuur in gesloten gemeenschappen”, zegt burgemeester Gutiérrez, “Dat verander je niet zo snel. Mensen blijven liever bij wat ze hebben, al is dat weinig.”

In het politieke klimaat in het zuiden wordt vooral van de overheid verwacht dat deze het voortouw neemt bij de economische ontwikkelingen. Wat de Europese gelden betreft heeft Andalusië in dit opzicht niet te klagen: Spanje haalde begin deze maand voor de komende vijf jaar een bedrag van 26,3 miljard ecu (ruim 56 miljard gulden) binnen, het grootste bedrag aan structuurfondsen ooit aan een lidstaat toegekend en een verdubbeling ten opzichte van de voorgaande periode. Andalusë neemt bij de verdeling van de gelden met 4,6 miljard ecu verreweg de grootste portie voor zijn rekening.