Multinationals krijgen een Europese ondernemingsraad

ROTTERDAM, 23 JUNI. Multinationale ondernemingen die in verschillende lidstaten van de Europese Unie actief zijn moeten hun werknemers consulteren en informeren over belangrijke bedrijfsaangelegenheden met een grensoverschrijdend karakter.

Dit is de kern van een richtlijn over de oprichting van Europese ondernemingsraden (Euro-OR) waarover elf van de twaalf EU-lidstaten gisteren in Luxemburg overeenstemming hebben bereikt. Groot-Brittannië distantieert zich van de richtlijn, die is gebaseerd op het niet door Londen geratificeerde 'sociale protocol' bij het Verdrag van Maastricht.

De kern van de richtlijn is dat werknemersvertegenwoordigers uit verschillende lidstaten die bij hetzelfde concern werken het recht krijgen ten minste een keer per jaar geïnformeerd en geraadpleegd te worden over onderwerpen als reorganisaties, verplaatsingen en ontslagen met internationale reikwijdte.

Het gaat in de richtlijn om minimum-voorschriften voor het consulteren en informeren van werknemers. De richtlijn geldt voor bedrijven met ten minste 1.000 werknemers en meer dan 150 werknemers in ten minste twee EU-lidstaten. Ze hoeven geen Euro-OR op te richten als ze het binnen drie jaar na het van kracht worden van de richtlijn eens worden over een ander model dat voldoende waarborgen biedt voor overleg met werknemers.

In de praktijk betekent de richtlijn dat circa duizend bedrijven met samen ongeveer 10 miljoen werknemers een Euro-OR krijgen. Dat is minder dan 1 procent van het aantal bedrijven in Europa en minder dan tien procent van de totale Europese werkgelegenheid. Sommige concerns, met name van Duitse en Franse origine, hebben vooruitlopend op de richtlijn de afgelopen jaren al een soort Euro-OR opgericht.

Minister De Vries (sociale zaken) zei gisteren blij te zijn dat de politiek na twintig jaar eindelijk was gelukt iets te regelen over het consulteren en informeren van werknemers in grote Europese bedrijven. Hij beschouwt de nu overeengekomen richtlijn als “een eerste stap” naar meer invloed van werknemers in multinationale ondernemingen. De minister herinnerde eraan dat het initiatief was genomen door de toenmalige Europees commissaris, de Nederlander H. Vredeling. In de loop der jaren is diens voornemen de medezeggenschap van werknemers bij Europese concerns te regelen behoorlijk afgezwakt, enerzijds door krachtige oppositie van werkgevers, anderzijds door verdeeldheid tussen de lidstaten.

Vooral de werkgevers hebben zich verzet tegen de totstandkoming van een Europese richtlijn. Zij opteerden voor afspraken op basis van vrijwilligheid. Maar daarover kon de afgelopen jaren met de Europese vakbeweging geen overeenstemming worden bereikt. Het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) zei “buitengewoon teleurgesteld” te zijn over de richtlijn.