Lelijk voetballen is Brazilianen vreemd

Van amusementsvoetbal tot resultaatvoetbal. Brazilië heeft alle ontwikkelingen moeten volgen. Misschien heeft coach Parreira nu de juiste weg gevonden naar de titel. De middenweg, want de Brazilianen spelen niet meer Braziliaans.

SAN FRANCISCO, 22 JUNI. Ze kwamen op het geluid af en verborgen zich achter bomen om een glimp op te vangen van de jonge mannen die lachend en krijsend een partijtje voetbal speelden. Dat hadden de Russische voetballers nog niet eerder gezien toen ze in 1958 tijdens het WK het trainingskamp deelden met de Brazilianen. Zoveel spelvreugde tijdens een training. Dit moest iets nieuws zijn.

De Brazilianen hadden weinig te verbergen. Iedereen mocht zien wat ze deden. Geen geheimen over tactiek, geen gesloten trainingen waar spelvormen worden ingestudeerd. Brazilianen voetbalden als kinderen op het strand.

Maar hier gold het wonderkinderen: Pelé, 17 jaar en de jongste; Garrincha, de gekste; Didi, de mooiste; Vavà, de rustigste; Altafini, de blondste; Zagalo, Brito, Bellini, Orlando, De Sordi, Dida, Gilmar, de doelman; en Djalma en Nilton Santos, het superieure verdedigingsduo.

In de wedstrijden speelden ze volgens een 4-2-4 opstelling. Later zou een opstelling een systeem worden genoemd, toen de Europeanen meenden de Brazilianen te moeten nabootsen. Maar Brazilianen speelden Braziliaans. Elegant en traag. Met zoveel balvaardigheid was tempo niet doorslaggevend. Alles draaide om schoonheid en kunstzinnigheid.

De verdedigers verdedigden 'op techniek'. Problemen werden voetballend opgelost. Een overtreding paste niet in hun spel. Wanneer een overtreding werd gemaakt was dat een ongelukje.

Brazilianen speelden hautain. Zoals de aristocraat Didi. In 1962 werden ze weer wereldkampioen. Maar hun spel was niet zachtaardig meer. De kwaliteiten van de onnavolgbare rechtsbuiten Garrincha bleken gelukkig nog doorslaggevend. Maar nog altijd speelden Brazilianen hautain.

Deze houding zou ze in 1966 opbreken. De oudjes werden te traag en Pelé werd het slachtoffer van brute Europese verdedigers. Maar geen nood, meende men in Brazilië, de kweekvijver is onuitputtelijk en het Braziliaanse spel zal op den duur toch zegevieren.

Misschien speelden ze tijdens het WK van 1970 in Mexico wel het mooiste voetbal aller tijden. Met Pelé in zijn beste periode, met Gerson, de geniale linkspoot, met Rivelino, de linksbuiten met de mooiste schijnbeweging: met links over de bal heen naar rechts zwaaiend de tegenstander op het verkeerde been zetten om dan in dezelfde beweging met buitenkant links de bal vrij te maken.

Ze speelden zo prachtig hautain, Rivelino en Gerson. Ze speelden zo arrogant. Wat was veranderd vergeleken met 1958 en 1962 was het tempo. Er zat meer snelheid in hun spel, dankzij Jairzinho, de rechtsbuiten, en Carlos Alberto, de rechtsback. En ze maakten overtredingen. Voetballende oplossingen genoten nog steeds de voorkeur, maar een tackle of sliding beheersten ze ook. Ze konden gemeen zijn.

Ze werden voor de derde maal wereldkampioen en moesten daar nog lang op teren. In 1974 stonden ze weliswaar nog op het punt het zogenoemde 'totaalvoetbal' van Nederland met sublieme acties van Rivelino te vernietigen, maar het brute antwoord van Neeskens en Rijsbergen was hen uiteindelijk te machtig.

Voetbal was oorlog geworden. En het zou nooit meer goed komen met het voetbal, dus ook niet met Brazilië. Prachtige voetballers als Zico, Socrates, Falcao, Cerezo en Junior bleken niet meer in staat hun techniek in een wereldtitel om te zetten.

Het mooie aan Braziliaanse voetballers is hun arrogantie. Die uitstraling en bluf: 'Wij kunnen meer met een bal dan jullie'. Zo voetballen ze ook in de Braziliaanse competitie. De bal doodmaken op de borst, op het dijbeen of op de wreef, traag de bal rondspelen, heupwiegend een schijnbeweging maken en mooi scoren - bij voorkeur met de bicicleta (de achterwaartse salto met scharende benen), zoals Pelé en vooral Zico dat deden. Voetbal in Brazilië is loom. Spectaculair zijn alleen de technische hoogstandjes, maar zeker niet het speeltempo.

Om te overleven in de confrontaties met de Europeanen dienen de Brazilianen sneller, fysieker, krachtiger en met meer concentratie te voetballen. Maar waarom zouden Braziliaanse voetballers tegen hun natuur in spelen als de liefhebbers op de tribune van Maracana dansen en god danken dat er nog schoonheid op aarde bestaat? Als voetbal in Brazilië religie is, waarom dan god verlaten?

Maar clubvoetbal is geen interlandvoetbal. Telkens wanneer het nationale elftal beschaamd terugkeerde van een nederlaag, werden de voetballers geconfronteerd met gechoqueerde supporters. De Braziliaanse trots was weer geweld aangedaan. De ene na de andere bondscoach moest vertrekken. Coutinho, Lazaroni, Santana, Zagalo, ze probeerden nieuwe wegen te vinden, ze zochten naar systemen om het Braziliaanse spel te harden tegen dat van de harde Europeanen en Argentijnen.

Het is als met Japanners die niet meer in het judo heersen. Talent, techniek en souplesse hebben het moeten afleggen tegen de wedstrijdmentaliteit die door nationalistische en commerciële belangen louter nog is gericht op resultaat. Voetbal werd krachtsport.

Voetballers trainen meer op conditie dan op balvaardigheid, ze worden naar krachthonken gestuurd, ze worden psychologisch getest, ze worden gestimuleerd hun schoolopleiding in vrije uren af te ronden. Alsof analfabeten geen voetbaltalenten kunnen zijn.

De roep om internationale successen in Brazilië werd een noodkreet. En toen kwam Carlos Alberto Parreira aan het bewind. Als voetballer was hij niets. Maar hij had trainerstalent en werd geroepen om het nationale elftal naar successen te leiden.

Hij heeft al heel wat stormen doorstaan de laatste jaren. Maar hij heeft geluk gehad, omdat de meeste Braziliaanse toppers in Europa gingen spelen. Daar leerden ze de Europese stijl, sommigen tegen hun zin en natuur in. Geen Braziliaan die niet problemen heeft gehad in Europa, van Zico tot Romario. Altijd zijn er botsingen, altijd zijn er psychologische verklaringen, nooit worden ze begrepen. Een Braziliaan is nu eenmaal een Braziliaan.

Parreira is een trainer met een Europese hand van werken. Hij laat zich niet ringeloren door spelers met sterallures of de wet voorschrijven door chauvinistische journalisten uit Rio de Janeiro. Parreira belooft Brazilië niet de wereldtitel. Dat zou niet realistisch zijn, zegt hij voortdurend om de druk weg te nemen.

Over zoveel voetbaltalent kan geen bondscoach beschikken. Parreira zou drie elftallen van gelijke kracht kunnen opstellen. Maar hij kiest de spelers van wie hij veronderstelt dat ze de wereldtitel kunnen veroveren. Spelers die in Europa zijn geschoold voornamelijk. Voetballers die tegen een stootje kunnen, voetballers die agressief kunnen spelen, verdedigers die geen concentratieverlies kennen. Het Braziliaanse nationale elftal speelt niet meer Braziliaans.

De Brazilianen die in de VS spelen, zijn niet onverslaanbaar. Maar ze zijn wel hard, ze maken overtredingen als het moet. Gelukkig blijven ze hun balvaardigheid etaleren. Want 'lelijk' voetballen kunnen ze niet. Een linksback als Leonardo zou kunnen uitgroeien tot de revelatie van het toernooi. Snel, behendig en artistiek. En dan Zinho, de technicus links op het middenveld. Zij spelen nog niet in Europa, zij spelen nog Braziliaans.

Misschien wordt Brazilië niet wereldkampioen. Maar het zou een zegen voor de voetbalsport zijn als de Braziliaanse droom werkelijkheid werd: na 24 jaar weer wereldkampioen.