Kwieke dribbel in de kleine voeten

BAARN. Ik ging op zoek naar iemand die zich kon herinneren hoe het was toen sport en politiek en economie nog niets met elkaar te maken hadden, of althans heel weinig. De man die ik vond heette Chris Walder. Hij is de oudste van alle oud-internationals en ook hij volgt natuurlijk de gebeurtenissen in Amerika. Iedere avond zet hij de televisie aan en luistert naar het verslag. Zijn oren hebben de jaren beter doorstaan dan zijn ogen, dus wat er op het scherm verschijnt is voor hem niet de moeite. Alleen beelden van vroeger neemt hij haarscherp waar. Hij hoeft zijn ogen niet eens dicht te doen of hij ziet ze zo weer voor zich, de gezichten van de andere tien jongens uit zijn ploeg. Hij kent al hun namen nog, hij herinnert zich hun manier van bewegen. Alsof ze niet al jaren dood zijn. Alsof hij de interland tegen Denemarken gisteren heeft gespeeld, en niet in de zomer van 1921, precies 73 jaar geleden.

De meeste voetballers van zijn generatie hebben het later ook buiten het veld ver geschopt. Artsen, directeuren van grote bedrijven, notarissen. Zelf mag hij ook niet klagen. Geen notaris geworden, wat wel in de bedoeling lag, maar toch aardig geboerd in de handel met bromfietsen en motoren. Toen hij als knul van negentien werd gevraagd om bij NAC te komen spelen, wilde het bestuur vooral weten of hij een goede opvoeding had genoten en beschaafde manieren had geleerd. Ze wisten natuurlijk al dat hij met zijn korte beentjes keihard kon lopen en als linksbuiten een aardige voorzet gaf. Maar dat was niet voldoende voor het lidmaatschap. Waardig gedrag, de eer van de vereniging niet besmeuren - dat was minstens even belangrijk voor de bestuurders. Een schooier had nooit lid mogen worden, al had hij duizend doelpunten per seizoen gemaakt. Er werd hard gespeeld, maar fair. Want een overwinning waar je op een vuile manier aan was gekomen, die telde gewoon niet mee.

Geld? Geld was in zoverre van belang dat ook de eerste elftal-spelers op tijd hun contributie betaalden en goeie ballen en voetbalschoenen moesten kunnen kopen. Voor Chris Walder, met zijn maatje 38, werden ze speciaal gemaakt. Hij staat op en laat zien dat hij nog altijd een kwieke dribbel in die kleine voeten heeft. Het liefst speelde hij tegen hele grote tegenstanders. Daar kon je zo fijn omheen of onderdoor. Dan gaat hij zitten en beschrijft met brede armgebaren hoe hij het eerste doelpunt scoorde in de kampioenswedstrijd tegen Go Ahead.

Het was de eerste en meteen ook de laatste keer dat NAC kampioen werd van Nederland. Het elftal hoorde pas uren na de wedstrijd dat het de titel had behaald. Om aan het vereiste aantal punten te komen moest Ajax immers diezelfde middag in Amsterdam van Be Quick winnen en zonder radio of telefoon wist je na afloop niet of dat ook was gebeurd. Tijdens de terugreis ging op het station in Arnhem het gerucht dat Be Quick had verloren, maar de jongens durfden het niet te geloven. Bij het overstappen in Nijmegen vertelde iemand hetzelfde verhaal, maar het had nog altijd een flauwe grap kunnen zijn. Pas toen hun trein tegelijk met die uit Amsterdam in Den Bosch aankwam en een kennis het entreebewijs van Ajax kon laten zien, wisten ze zeker dat er niet werd gelogen. Het was drie dagen onafgebroken feest in heel Breda. Zonder wanklanken natuurlijk.

Een jaar na het kampioenschap van NAC werd de vereniging 'Nederlandse Corinthians' opgericht, in een poging de omgangsvormen in het voetbal net zo verfijnd te houden als gedurende de eerste jaren van de eeuw. De sjieke burgerclubs vreesden voor aantasting van de 'kameraadschappelijkheid' onder de sportlieden, en voor hun eigen voortbestaan, wanneer niet streng werd toegezien op handhaving van de amateurstatus. De invloed van het geld kon de sport alleen maar schaden. Nieuwe leden dienden daarom uit de betere milieus te blijven komen. De Corinthians, die hun naam ontleenden aan een gelijksoortig Engels initiatief, hielden wervingsacties onder studenten en middelbare scholieren. Het bleek een achterhoedegevecht. In de loop van de jaren twintig verdrongen de voetballers van volksclubs als Blauw-Wit, Feijenoord en ADO de heren van VOC, NAC, HVV en ZAC langzaam maar zeker uit het Nederlands elftal en uit de top van de competitie. Daarmee was de weg naar naar professionalisering onafwendbaar ingeslagen, al zou het nog tot 1954 duren voor de Nederlandse voetbalbestuurders, zo'n beetje als laatsten in Europa, de strijd tegen de Mammon definitief opgaven.

In een even merkwaardige als vermakelijke omkering van de geschiedenis is het tegenwoordig juist de nationale elite die pleit voor het profijtbeginsel als uitgangspunt op alle terreinen van het maatschappelijk leven, inclusief de kunst, de wetenschap en de sport. In dit streven is men al zo goed geslaagd dat het meeste 'sportnieuws' in onze media strikt genomen in de financiële rubriek thuishoort. Het gaat over contracten, transfersommen, premies. Vooral jongeren verkeren inmiddels in de veronderstelling dat de uitdrukking 'je mag geen dief van eigen portemonnee te zijn' een typische voetbalwijsheid is. In werkelijkheid vormt dit koopmansadagium al eeuwen de basis van onze welvaart. Het is het hoogste gebod in de Hollandse moraaltheologie: zondig is hij die zich door ethische bezwaren, of ze nu te maken hebben met mensenrechten dan wel liefde voor het spel, de club en de kameraden, laat beletten om winst te maken. De tegenwerping dat stelen van jezelf geen stelen is, heeft in deze streken nooit veel aanhang gehad.

Chris Walder kon bij PSV komen spelen. De directie bood hem een prachtige kantoorbaan en een vorstelijk salaris. Maar omdat hij in Breda wilde blijven koos hij voor een betrekking bij Kwatta, dat hem een jaar later plotseling overplaatste naar Amsterdam. Trouw werd dus ook toen al niet beloond. In 1924 werd hij er ontslagen en omdat bovendien zijn verloofde niet van voetbal bleek te houden hield hij er, 24 jaar oud en op het hoogtepunt van zijn carrière, van de ene dag op de andere helemaal mee op. NAC, Blauw-Wit, UVV en Ajax bleven nog jarenlang aandringen en vragen, maar het was mooi geweest. Tijd om aan gezin en zaak te denken.

Nog altijd vindt hij dat het geld zijn sport heeft veranderd en verpest. Maar de laatste tijd hoort hij transferbedragen die hem aan het denken hebben gezet. Menneer Walder zit in zijn bejaardenflat en twijfelt. Voor het geld van Jonk en Bergkamp was hij misschien toch ook wel naar Italië gegaan. En zelfs mevrouw Walder had dan misschien wel een tijdje spelersvrouw willen zijn.

Nog even en dan rekent het Centraal Planbureau niet meer alleen uit of er een nieuw kabinet mag komen, maar bepaalt het ook de winstkansen voor het Nederlandse elftal en ieder van zijn spelers. Dan weten we vantevoren of een wedstrijd onze investering loont. Dan weet Chris Walder of hij het goed of fout heeft gedaan en kunnen we voor een wedstrijd tussen petrodollars en lires gewoon op tijd naar bed.