Kristalliserende ballonnen

De eerste AW-aflevering na de zomerzonnewende moet voorlopig ook even de laatste zijn. Wie om een vervangende rubriek verlegen zit kan terecht in het weekblad New Scientist waar de nieuwe rubriek 'The last word' geleidelijk zijn definitieve vorm gevonden heeft: een vraag- en antwoordspel dat uitsluitemd door de lezers wordt gespeeld. Ook in de voorliggende AW-rubriek speelt de lezer een steeds dominantere rol, er gaat geen week voorbij zonder dat correcties en aanvullingen worden aangereikt of opgedrongen.

Op 28 april kwam hier het 'rode ogen effect' ter sprake dat veel amateurfotografen lange tijd parten speelde. Op flitslicht-ondersteunde kleurenfoto's die met een compactcamera zijn gemaakt vertonen veel mensen, en vooral kinderen, griezelig rode ogen. De kleur rood is die van de bloedvaten die in en achter het weldoorbloede netvlies lopen, werd hier beweerd. De Utrechtse oogarts dr. J.E.E. Keunen, co-auteur van een artikel waaraan werd gerefereerd, ziet graag genoteerd dat het netvlies zelf juist niet 'weldoorbloed' is en dat men vooral de vaten uit het vaatvlies achter het netvlies te zien krijgt.

Bij het stukje was een flitsopname van een oudere hond geplaatst die het effect, zoals het in zwart-wit tot uiting kwam, helder uitdrukte. De aan de Utrechtse universiteit verbonden dierenarts/specialist oogheelkunde dr. F.C. Stades vond het een schitterend voorbeeld van een volstrekt verkeerd gekozen illustratie. Het oplichten van het honde-oog is, zegt hij, zoals bij katten, schapen en runderen in de eerste plaats toe te schrijven aan de aanwezigheid van een reflectorlaag in het vaatvlies achter het netvlies. Mensen hebben geen reflectorlaag. Dat was een. Twee: er zijn maar weinig honde-ogen die rood oplichten. Door de aanwezigheid van pigment tussen en over de vaten in het vaatvlies ontstaan meestal geheel andere kleuren: blauw of groen, bijvoorbeeld, al heeft, dat is waar, de bobtail inderdaad rode ogen. Maar Rudy is geen bobtail, het is een langharige Duitse herder. Zijn ogen lichten blauw op, bevestigen zijn huisgenoten.

Nog was Stades niet tevreden. In het onderhavige geval was volgens hem het getoonde oplichten met grote waarschijnlijk voornamelijk, mogelijk zelfs uitsluitend, toe te schrijven aan staar, aan het bezit van een troebele ooglens, net zo gewoon bij oude honden als een slechte adem.

Zo is het wel genoeg, Rudy vond het toch een mooie foto. De opmerkingen over het effect van pigment in het vaatvlies sluiten wonderlijk mooi aan bij een brief van een lezer uit Mol die in het bezit is van enkele met flits gefotografeerde dia's van Afrikanen, met opvallend blauw reflecterende ogen. “De ogen lichten echt knalblauw op, zonder een zweem van rood.” Mol wil nu weten of Afrikaners ook anders kleuren zien dan personen die op flitsdia's rode ogen hebben.

Dat ogen überhaupt oplichten als men ze vanuit dezelfde richting belicht en bekijkt kreeg op 28/4, op gezag van derden, een simpele optische verklaring die zo algemeen was dat hij ook moest gelden voor een fototoestel dat met open lens gefotografeerd werd (door een compact-camera die flitslicht gebruikt). Waarachtig bleek het, achteraf, een koud kunstje om het rode-ogen-effect ook bij een fototoestel zichtbaar te maken. Het AW-laboratorium legde de hand op een oud halfkleinbeeld cameraatje (een Agfa Parat I), wist sluiter en diafragma in geopende toestand te fixeren, verving de film door een stuk wit papier en riep met een Hema-zaklantaarn de verwachte verschijnselen op. Zonder moeite. Krachtig diafragmeren heeft hetzelfde effect als sterke pupilvernauwing: het heft de verschijnselen op. Accomoderen ('scherp stellen') heeft veel minder invloed.

Ook de belangrijkste raadselen rond de anijslikeurs Pernod en Ricard, hier op 5 mei en later op 26 mei besproken, zijn inmiddels door vasthoudende lezers in Epse en Nieuwegein tot klaarheid gebracht. Dat de anethol (die de anijssmaak levert) wèl bezinkt in de onverdunde likeur zelf, als die voldoende wordt afgekoeld, maar niet in een 1 : 5 met water verdunde oplossing zit hem eenvoudig in de dichtheid van de verkregen drank. Door toevoeging van water stijgt de dichtheid ('soortelijk gewicht') van de drank zozeer dat deze vrijwel overeenkomt met die van het anethol, dat een dichtheid heeft van 0,988.

Dat een volgens voorschrift met water aangelengde en daardoor melktroebel geworden glas Pernod of Ricard, aan zichzelf overgelaten, na een dag of twee weer helemaal helder is kan volgens de twee pastis-experts niet worden toegeschreven aan selectieve verdamping van het anethol. Het kookpunt van anethol (trans-configuratie) ligt met 235 graden een stuk hoger dan dat van water. Het anethol verdampt wel, maar water verdampt sneller. Wat er in werkelijkheid gebeurt is volgens Epse dat het trans-anethol zich als een gelijkmatige, dunne film op de glaswand afzet. Schenkt men een opgehelderd glas Pernod leeg en veegt men daarna de glaswanden zorgvuldig schoon met een stukje tissue dan kan daarin vrijwel alle 'verdwenen' anethol worden teruggevonden.

Op 2 juni werd aandacht geschonken aan de ballonrage die de geïndustrialiseerde wereld teistert. Onder meer werd de vraag behandeld hoe het komt dat een ballon die met een speld tot ontploffen wordt gebracht heel anders uiteenvalt dan een ballon die zó ver wordt opgeblazen dat hij op eigen kracht explodeert. In dat laatste geval valt hij in veel meer stukken uiteen. Het effect werd bij gebrek aan beter toegeschreven aan de mooie homogeniteit van de moderne latex-ballon: kennelijk wordt bij het overvullen op veel plaatsen tegelijk de bezwijkspanning bereikt.

Technisch-wetenschappelijk adviseur dr. D.E. Knibbe in Naarden voegt er een opmerkelijke hypothese aan toe. Hij sluit niet uit dat in het latex-vlies onder invloed van de deformatie (die een welbeschreven ordening van de polymeerketens teweeg brengt) vlak voor het bezwijken partiële kristallisatie van het rubber optreedt waardoor het materiaal opeens bros wordt. “Vooral bij niet te zwaar gevulcaniseerde rubber zonder vulstof zoals roet kan deze kristallisatie heel snel gaan”.

Inderdaad meldt het standaardwerk 'Plastics' van Schouten en Van der Vegt (Delta Press, 1987) in het hoofdstuk over fasen en fase-overgangen dat niet-gevulcaniseerde rubbers in opgerekte toestand ('bijvoorbeeld bij 500 % verlenging') zelfs bij kamertemperatuur binnen enige seconden kunnen kristalliseren. Cis-polyisopreen, dat is natuurrubber, wordt daarbij met name genoemd. “Zodra de uitwendige kracht wordt opgeheven smelten de kristallieten en veert het materiaal onmiddellijk terug.” Aan de natte, slappe velletjes die na de knal op de grond liggen is daarom niets bijzonders te zien.

Rubbers zonder vulstof ontlenen hun sterkte voor een belangrijk deel aan die kristallisatie onder rek, schrijven Schouten en Van der Vegt. De amateuronderzoeker voegt daar uit eigen waarneming weinig meer aan toe dan dat 500 procent verlenging bij het opblazen van luchtballonnen niet ongebruikelijk is.