Jan Tinbergen (2)

In zijn tirade tegen het verval van de universitaire organisatie na de tijd van wijlen prof. Tinbergen, noemt prof. Bomhoff in zijn column (20 juni) de casus van zijn collega Van S. bij de Rotterdamse Sociale Faculteit, die zou zijn omringd (geweest) met “een luie meerderheid van cynische, oude doctorandussen”. Zij zouden niet doen wat zij moeten doen en wel doen wat zij zouden moeten nalaten. Dit alles tot schade van de belastingbetaler, maar daartoe in staat gesteld door de domme wetgever (ministerie plus parlement).

Aangezien geen ander op deze faculteit de initialen 'Van S.' draagt, voel ik mij genoopt te verklaren dat ik niet ben omringd (geweest) door het aangeduide type doctorandus-in-meervoud. Mijn medewerkers, vroeger en nu, zijn overwegend ijverige en toegewijde mensen, in de kracht van hun leven en deels gepromoveerd. Over hen kan de belastingbetaler geen reden tot klagen hebben. Zij presteren ondanks een inderdaad rommelig produkt van wetgeving ten aanzien van de universiteit. Maar Bomhoff overschat de betekenis van (nieuwe) wetgeving. Veel van de rommel wordt op de werkvloer wel geruimd. En Den Haag is stellig in staat tot nòg rommeliger wetgeving. Laten wij de dag van vandaag niet te snel inruilen voor die van gisteren of morgen.