Jan Tinbergen (1)

Het is jammer dat prof. Bomhoff zijn herdenking van Jan Tinbergen ontsiert met een filippica tegen de universitaire democratie, in het bijzonder de wijze waarop zijn faculiteit daar gestalte aan geeft (NRC Handelsblad, 20 juni). Juist een democraat als Tinbergen zou wars geweest zijn van pogingen om een elite binnen het wetenschappelijk corps aan te bevelen als middel tegen bestuurlijk onvermogen.

Met de feilen van de democratie heeft de Rotterdamse situatie weinig te maken. De economische faculiteit heeft waarschijnlijk zoals zovele andere een onvoldoend voorzichtig financieel beleid gevoerd, te weinig rekening gehouden met teruglopende studentenaantallen, oplopende personeelskosten en een recent ingevoerde verplichting om wachtgelden zelf te betalen. Dit zijn bij uitstek zaken waar een professioneel College van Bestuur, voorzien van duurbetaalde ambtenaren, over dient te waken. Dit College heeft daarvoor een behoorlijk aantal bevoegdheden gekregen. Net als in een normaal bedrijf kunnen bij een noodzakelijke sanering tijdelijk bevoegdheden worden geconcentreerd bij een klein aantal managers. De universitaire democratie is dan heel geschikt om te voorkomen dat managers met al te dwaze oplossingen komen, bijvoorbeeld als ze kwaliteit alleen in de eigen omgeving denken aan te treffen.

Dat de democratie feilloos werkt zal niemand beweren. Maar wat Bomhoff de democratie in de schoenen schuift is belachelijk. In de WWO kan de voorzitter van een vakgroep vrijwel alle besluiten van de vakgroep met opschortende werking ter vernietiging voordragen aan het faculteitsbestuur. Dat is een krachtig wapen om vakgroepen die disfunctioneren onder de tucht van hoger geplaatsen te stellen. Vakgroepen die intern niet tot overeenstemming komen, bijvoorbeeld als taakverdelingsbeslissingen tot evident disfunctioneren zouden leiden, kunnen worden gereorganiseerd. Misschien niet leuk, maar effectief en in het geheel niet in strijd met de democratische spelregels. Waar in een faculteit lamlendigheid en hebzucht hoogtij vieren is daar heel wat aan te doen zonder meteen de democratie als zodanig af te schaffen.

De vele Nederlandse faculteiten die internationaal aan de top of daar net onder meedraaien, zijn het levende bewijs dat kwaliteit van onderwijs en onderzoek met universitaire democratie en heel wat minder financiële middelen dan de zozeer door Bomhoff geprezen Amerikaanse topuniversiteiten verenigbaar zijn.