Indonesische pers slachtoffer politieke machtsstrijd

De Indonesische president Soeharto strafte deze week de pers wegens de berichtgeving over ruziënde ministers. Achtergrond vormt de machtsstrijd in Jakarta, met als inzet de suksesi, de opvolging van Soeharto.

JAKARTA, 23 JUNI. De klaroenstoot voor de aanval op de pers klonk op 9 juni. Die dag woonde president Soeharto aan boord van een mijnenveger een vlootschouw bij van vijf van de 39 tweedehands oorlogschepen, die minister van onderzoek en technologie, B.J. Habibie, in opdracht van het staatshoofd in Duitsland had gekocht. De schepen, die hadden behoord tot de vloot van de voormalige DDR, werden bij die gelegenheid overgedragen aan de Indonesische marine.

Een week eerder had het weekblad Tempo een omslagverhaal gewijd aan de kritiek op deze aankoop en de weigering van de minister van financiën om de hoge rekening te voldoen. Daarmee kwam de groeiende weerzin tegen de schier onbegrensde volmachten van Soeharto-favoriet Habibie duidelijk aan het licht.

Op volle zee haalde Soeharto zonder tekst uit naar “zekere lieden, die de kwestie maar half begrijpen, meteen hun mening geven, mensen tegen elkaar uitspelen, een situatie van wederzijds wantrouwen scheppen en regelrecht de nationale stabiliteit bedreigen. Dit kunnen we niet over onze kant laten gaan. Wie niet wil luisteren naar waarschuwingen, kan rekenen op maatregelen”.

De andere Soeharto-vertrouweling in het kabinet, minister van informatie Harmoko, had twee weken nodig om de 'schuldigen' te straffen en meteen twee andere rekeningen te vereffenen. Niet alleen Tempo, maar ook de weekbladen Editor en Detik kregen dinsdag een verschijningsverbod.

Hoewel de topambtenaar die het vonnis voorlas zich bediende van departementaal jargon en uitvoerig gewag maakte van voorschriften, verleende vergunningen en overtredingen, wist iedereen dat dit een politieke beslissing was. Achtergrond vormt de machtsstrijd die zich inmiddels niet meer alleen achter de schermen, maar mede dankzij de dinsdag verboden bladen ook in de openbaarheid afspeelt. De inzet: suksesi, een Indonesisch neologisme voor de opvolging van de nu al 27 jaar regerende Soeharto.

Het geval Detik spreekt boekdelen. Het weekblad ontpopte zich het laatste jaar als een detective die zonder te vervallen in scheldpartijen of verdachtmakingen de schijnwerper richtte op de poppen van het schaduwtheater dat het politieke bedrijf in Indonesië nog steeds is. Daarmee verwierf het blad zich niet alleen een snel groeiende lezerskring, maar ook de sympathie van Soeharto-critici binnen het leger. Detik-reporters kregen daar makkelijk toegang en ook tips. De voorlaatste aflevering, die vorige week verscheen, was grotendeels gewijd aan de kansen van vice-president Try Sutrisno, generaal b.d. en de lieveling van het leger, op het presidentschap. Op de voorpagina prijkte een portret van Try, boven de kop: “Is dit de derde president?” In een hoekje van de omslagfoto staat een zorgelijk kijkende Habibie, die zelf dingt naar het hoogste ambt. Naar verluidt was de minister razend.

Detik dacht bescherming te genieten bij zijn militaire vrienden, maar nu de bijl is gevallen, zijn de reacties opvallend terughoudend. Het hoofd woordvoering van ABRI (de Indonesische strijdkrachten), brigadier-generaal Syarwan Hamid, bracht enkele maanden geleden nog een 'vriendschapsbezoek' aan de burelen van Detik, waar hij urenlang van gedachten wisselde met de redacteuren. Gisteren gaf de generaal een verklaring uit waarin hij het vonnis “ongewenst, zeer zorgwekkend en betreurenswaardig” noemde. Hij voegde er echter aan toe dat het besluit “zonder twijfel lang en zorgvuldig is overdacht en hopelijk een les is voor mijn vrienden bij de pers”.

Volgens een militaire bron “is er momenteel geen officier van enig gewicht die dit trieste besluit durft aan te vechten. ABRI staat al enige tijd aan de zijlijn van de landelijke politiek en moet alles slikken wat mensen als Habibie en Harmoko bekokstoven.”

Met het jongste machtswoord hoopt de president kennelijk in één klap de twijfels aan zijn leiderschap weg te nemen, loyaliteit af te dwingen en critici de mond te snoeren. In het verleden hebben dergelijke donderslagen effect gesorteerd, maar het is de vraag of Soeharto hiermee deze keer wegkomt. Het besluit negeert namelijk de zorgwekkende ontbindingsverschijnselen in de Indonesische elite.

Een belangrijke twistappel is het politieke spel dat Soeharto's paladijnen de laatste jaren spelen met de islam. Dat is een gevoelige kwestie, want de islamitische meerderheid voelde zich lange tijd uitgesloten van de macht. Via het in 1990 opgerichte Verbond van Moslimintellectuelen (ICMI), onder voorzitterschap van minister Habibie, dacht de president zich de gunst te verwerven van de moslimgemeenschap en hoopte Habibie zich onder het groeiende aantal geschoolde moslims binnen de bureaucratie een basis te creëren voor zijn gooi naar het hoogste ambt. Het grotendeels door de president benoemde Volkscongres, dat hem in maart 1993 herkoos, telde tientallen ICMI-leden en in het vorig jaar aangetreden kabinet zitten liefst vijf ICMI-ministers. De strijdkrachten, die veel belang hechten aan het seculiere karakter van de republiek, zien deze politisering van de religie met lede ogen aan. Maar niet alleen zij. Minister van Transmigratie Siswono Yudohusodo, een voormalige studentenactivist, beschuldigde ICMI eind mei van “sectarische tendenzen”.

Een tweede splijtzwam binnen de elite is de concurrentie tussen burgers en militairen om sleutelposities binnen de bureaucratie en de staatsbedrijven, die vanouds worden vergeven volgens het beginsel van de politieke vriendendienst. Die krachtmeting bereikte vorig najaar een hoogtepunt tijdens het congres van regeringspartij Golkar, in feite de als politieke partij vermomde staatsbureaucratie. Daar werd, onder druk van Soeharto, gebroken met een traditie: het voorzitterschap ging niet naar een gepensioneerde legerofficier, maar naar burgerminister Harmoko. Slechts een minderheid van de provinciale afdelingen, veelal geleid door ex-officieren, had hem voorgedragen, maar de meerderheid durfde geen tegenkandidaat te stellen. Niet lang daarna gaf Soeharto te kennen dat de civiel-militaire 'dubbelrol' van ABRI, een leerstuk van de Nieuwe Orde, een nieuwe invulling behoefde en dat ABRI voortaan “leiding moest geven vanuit de achterhoede”. Deze ontwikkeling heeft de militairen teruggeworpen op hun machtsbasis in de provincies, waar zij via de regionale commandanten en hun posities in de Golkar-afdelingen nog steeds aan de touwtjes trekken. Deze retirade naar de regio is niet bevorderlijk voor de eenheid van ABRI, een apparaat dat, hoe men ook aankijkt tegen militairen in de politiek, van cruciaal belang is voor de samenhang van deze veelvolkeren- en eilandenstaat.

Maar ook binnen het overwegend door burgers bemande kabinet is de eenheid ver te zoeken. Inzet van de jongste meningsverschillen is de economische politiek. De kemphanen zwaaien met twee ideologische banieren: 'globalisering' en het 'nationale belang'. De technocraten die de economische ministeries bemannen, kijken over de landsgrenzen en willen de Indonesische volkshuishouding blootstellen aan internationale concurrentie en openen voor buitenlands kapitaal. Die strategie doorkruist het aloude protectionisme, dat vooral dient om de vele monopolies te beschermen van de etnisch-Chinese zakenwereld, hun connecties onder ministers en hoge ambtenaren en, niet in de laatste plaats, van de presidentiële familie.

Die richtingenstrijd werd eerder deze maand uitgevochten via de pers, toen de economische bewindslieden een decreet afkondigde dat het regime voor buitenlandse investeringen aanzienlijk versoepelde en een aantal, eerder als strategisch aangemerkte bedrijftakken - waaronder de media - openstelde voor een buitenlands meerderheidsbelang. Daarop verklaarden Harmoko en zijn collega's van verbindingen en justitie tegenover de pers dat zij niet in dit besluit waren gekend.

De jongste aanvaring tussen bewindslieden betrof de weigering van minister van financiën Mar'ie Mohamad, eveneens een voormalige studentactivist en algemeen geacht als een strenge rekenmeester, om 1 miljard gulden uit te trekken voor de aankoop en opknap van door Duitsland afgedankte oorlogsschepen. Om de Oostduitse old-timers drijvende te houden, tijdens de overtocht naar Insulinde wilde Habibie hen eerst tegen hoge kosten laten kalefaten op Duitse werven. Opnieuw prijkte Habibie's portret op het omslag van Tempo en opnieuw waren de media de arena waar de richtingenstrijd werd uitgevochten.