Genen en gedrag

Science. Weekblad van de American Association for the Advancement of Science. 17 juni 1994, vol. 264, pagina's 1637-1816. In Nederland slechts zeer incidenteel los te koop. Prijs: $ 6,00.

Dat de aloude nature-nurture kwestie nog altijd tot hevige emoties kan leiden, werd onlangs in Nederland bevestigd door een onverhoedse aanval op de Nijmeegse antropogeneticus prof. Hans-Hilger Ropers, in wiens laboratorium vorig jaar een erfelijk bepaald stofwisselingsdefect werd ontdekt dat kan leiden tot geestelijke achterstelling en, in zeldzame opwellingen, tot agressie. De ontdekking van dit 'agressie-gen', zoals het door de media prompt werd gedoopt, haalde onder meer CNN en de voorpagina van de New York Times.

Ropers werd eind maart in een artikel in de Frankfurter Allgemeine Zeitung fel aangevallen door een Duitse collega, de Keulse geneticus Benno Müller-Hill. Deze probeerde, in een rijkelijk tendentieus betoog vol suggesties en arm aan feitelijke argumenten, een verband te leggen tussen het Nijmeegse onderzoek en de eugenetische praktijken in Nazi-Duitsland.

Ropers ervoer deze stoot onder de gordel als 'onverdraaglijk, lasterlijk en infaam'. De Nijmeegse groep, zo legde hij uit, had zich helemaal niet schuldig gemaakt aan het stigmatiseren van mensen door onderzoek te doen naar de genetische basis van 'crimineel gedrag', zoals Müller-Hill had beweerd. De groep had het “slechts gehad over agressie als onderdeel van de waaier van effecten van het gendefect. Dat menselijk gedrag voor een deel een erfelijke basis heeft, is onloochenbaar en niet controversieel,” aldus de hoogleraar.

De uitbarsting van Müller-Hill staat niet op zichzelf. Naarmate moleculair-biologen verder komen met het in kaart brengen van erfelijke eigenschappen, wordt de oogst aan genen met een aantoonbaar effect op gedrag almaar groter. Twintig jaar geleden was onderzoek naar biologische oorzaken van menselijk gedrag nog taboe. Dat het tij gaat keren komt in de eerste plaats door de ontwikkelingen in het biologische onderzoek zelf. De technieken waarmee genetische determinanten voor gedrag kunnen worden opgespoord zijn onderhand zo krachtig geworden, dat deze niet langer meer zijn te negeren. De erfelijkheid van gedrag prijkt derhalve tegenwoordig prominent op de wetenschappelijke agenda.

De afgelopen paar jaar is door onderzoekers vele malen een erfelijke component geclaimd voor gedragskenmerken als agressie, homosexualiteit, manische depressie en alcoholisme. Een deel van de aanspraken (vooral die voor manische depressie en alcoholisme) bleek later voorbarig en moest worden ingetrokken, een ander deel staat nog steeds bloot aan kritiek. Niettemin blijven de aanwijzingen zich opstapelen dat ons gedrag, net als dat van simpeler dieren zoals wormen en fruitvliegen, voor een deel door onze genen wordt bepaald.

Voor het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift Science vormde die omstandigheid aanleiding om een groot deel van het jongste nummer te wijden aan het thema genen en gedrag. In een serie nieuws- en overzichtsartikelen worden zowel de controverses als de wetenschappelijke achtergronden uitvoerig belicht. De materie is van meer dan louter academisch belang, omdat ze raakt aan de filosofische kernvragen van het bestaan. “In welke mate,” vraagt Nobelprijswinnaar Torsten N. Wiesel van Rockefeller University in New York als gastschrijver van het redactionele commentaar retorisch af, “staat ons lot geschreven in het DNA binnen onze cellen? En hoe veel vrijheid hebben we om ons volledige potentieel te bereiken als menselijke wezens door onze opvoeding en onze ervaringen?”

Het antwoord, zo blijkt uit vrijwel elk artikel in het themanummer (inclusief dat van Wiesel zelf), is dat de vraag verkeerd gesteld is. Het is niet of-of, maar en-en, en daar komt nog bij dat erfelijkheid en milieu niet twee duidelijk van elkaar gescheiden sferen zijn, doch twee werelden die voortdurend op een ingewikkelde manier op elkaar inwerken. Geen bioloog is tegenwoordig zo naïef om uit te gaan van een simplistisch genetisch determinisme, maar er is wel brede consensus dat er in ieder geval erfelijke componenten van gedrag zijn, zodat men er ook met vrucht naar kan zoeken.

Waarop is die consensus gebaseerd? Op drie soorten aanwijzingen, zo leert een overzichtsartikel. Ten eerste het vele werk over de erfelijke basis van diergedrag. Aangezien de mens het grootste deel van zijn evolutionaire verleden deelt met andere soorten, zal ook zijn gedrag genetische componenten bevatten. In de tweede plaats de steeds uitgebreider studies over menselijke tweelingen, waarin de invloed van erfelijkheid en omgeving met vrij veel vrucht kan worden uitgesplitst. Vooral de overeenkomsten tussen apart van elkaar opgevoede eeneiïge tweelingen geven veel informatie. En ten slotte het veld winnende inzicht dat de genen ons niet als een soort onafwendbaar fatum hun wil opleggen, maar uitsluitend in een delicaat evenwicht met de omgeving een stempel drukken.

Bij 'omgeving' moet men daarbij niet alleen denken aan zaken als gezin, opvoeding, onderwijs en sociaal milieu, maar ook aan “hormonale stromen tijdens de embryonale ontwikkeling, en of je op je rechter- of je linkerzij lag in de baarmoeder,” aldus Dean Hamer van het National Cancer Institute in Washington, in wiens laboratorium een verband werd geclaimd tussen homosexualiteit en een bepaald gebiedje op het X-geslachtschromosoom.

Sterker nog, schrijft Thomas J. Bouchard, Jr. van de Universiteit van Minnesota in een artikel over de tweelingstudies die sinds 1978 onder zijn leiding worden uitgevoerd, elk mens creëert tot op zekere hoogte zijn of haar eigen omgeving. Iemands genetische dispositie kan bepalend zijn voor de selectie en de keuze van prikkels en invloeden uit de omgeving, waardoor hij of zij vervolgens weer kan worden beïnvloed. Dergelijke terugkoppelingsmechanismen kunnen een indirecte verklaring vormen voor de erfelijke aanleg voor individuele voorkeuren en persoonlijkheidskenmerken. Op grond van zijn tweelingstudies beweert Bouchard overigens aanwijzingen te hebben gevonden voor een vrij sterke erfelijke component (rond de 40 procent) voor persoonlijkheidskenmerken als extraversie, neuroticisme, conscentieusheid, openheid en vriendelijkheid.

De bijdragen in de special, waaronder overzichtsartikelen over de genetische basis van paargedrag in fruitvliegen en gedrag in andere dieren, zijn toegesneden op een wetenschappelijk onderlegd, maar tegelijk breed lezerspubliek. De nieuwsartikelen zijn in principe voor iedereen te volgen, de wetenschappelijke overzichten alleen voor lezers met basiskennis van de moleculaire biologie.