DE VIER DRIJFVEREN

Serendipiteit. Het vinden van iets waar je niet naar zocht. Samen met nieuwsgierigheid de hoogste deugd in de wetenschap. Het wordt nog eens onderstreept door de invloedrijke American Chemical Society in een recent 'pr'-boekje Science and Serendipity.

Maar het valt niet goed bij de politici. Congreslid George Brown en Senator Barbara Mikulski, twee vooraanstaande volksvertegenwoordigers en zeer goed geïnformeerd met betrekking tot de wetenschapsbeoefening, reageerden keihard: Serendipiteit? Een ondeugd! Als wetenschappers doorgaan met dit gezeur dan moet de National Science Foundation flink achteruit in middelen.

Het Amerikaanse conflict tussen wetenschap en politiek is op zijn top gekomen. Sinds het eind van de Koude Oorlog (toen de middelen voor defensie-onderzoek minder werden) ging het met deze relatie steeds slechter. De kern van het conflict is precies hetzelfde als hier in Europa: de maatschappelijke noden en problemen rijzen de pan uit, en wat doet de wetenschap?

Je zou kunnen zeggen dat in de VS de frustratie bij politici juist door de Amerikaanse wetenschappelijke prestaties nog scherper wordt. Het land heeft veel van zijn industrieel concurrerend vermogen en leiderschap verloren, maar het heeft wèl het leeuwenaandeel in Nobelprijswinnaars. Overheid en publiek delen de mening van hun volksvertegenwoordigers, de wetenschap is in de verdediging gedrongen. De woorden van Congreslid Brown laten niets aan duidelijkheid te wensen over: New directions must move us from the myriad serendipitous paths of where we are capable of going, to the strategic paths where we must go if the planet and its increasing population are to survive.

Wat is in godsnaam strategisch, mompelden de geleerden, die kreet horen we al jaren en niemand weet wat er mee bedoeld wordt. Bovendien is ons werk al steeds meer op maatschappelijke problemen gericht (een juiste bewering, daarover straks meer). Wat kan nu een Congreslid, een manneke van de staat, tegen de verzamelde Amerikaanse Nobelprijswinnaars?

En precies dié vraag werd door de wetenschappers op pijnlijke wijze beantwoord. Politici nemen immers uiteindelijk toch de beslissing, als het gaat om (zeer veel) geld. 's Werelds grootste en duurste wetenschappelijke avontuur, de SSC, Superconducting Super Collider, de zoektocht naar de meest fundamentele bouwstenen van de materie, moest stoppen. Een invloedrijk Congreslid en verklaard tegenstander van de SSC won het van de Nobelprijswinnaars.

Natuurlijk, ook verdeeldheid en kinnesinne binnen de wetenschappelijke wereld telde mee. Maar toch. SSC kreeg politiek geen top-prioriteit omdat het niet voldoende 'strategisch' was. Voor louter de bevrediging van wetenschappelijke nieuwsgierigheid was het simpelweg too expensive.

Onder aanvoering van Roland Schmitt, bestuurder van een Amerika's belangrijkste technische universiteiten, wordt nu naar verzoening tussen wetenschap en politiek gestreefd. Dat kan best, want de wetenschap geniet in de VS nog steeds een enorm prestige. Searching for Harmony, noemt Schmitt het. En het kernpunt is weer de vraag: wat is strategisch wetenschappelijk onderzoek?

Om ook maar een begin van een antwoord te krijgen, is het nodig de menselijke drijfveren tot het beoefenen van wetenschap te kennen. Daar gaan we. Nummer één. Op zoek naar de Waarheid. Onstuitbare menselijke nieuwsgierigheid. Waar komen we vandaan? Hoe ziet het Heelal eruit? Hoe werken onze hersenen? Ook de niet-wetenschapper is vaak gefascineerd en wil graag meer weten. Dus, een beschaafd land heeft voor deze nieuwsgierigheid zeker geld over. Maar hoeveel?

Dat hangt - zo blijkt - gewoon af van je rijkdom. Maar het komt nooit veel verder dan slechts een paar procent van de totale middelen voor wetenschappelijk onderzoek als er niet meer aan de hand is.

We gaan dus verder: drijfveer twee. De verlokkingen van het pionierswerk, het veroveren van onbekende gebieden, het verschuiven van grenzen. Het zit vooral de Amerikanen in het bloed. Science - the Endless Frontier, noemde Vannevar Bush zijn fameuze rapport over wetenschapsbeleid aan de Amerikaanse President kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Pionieren, grenzen verschuiven, het leveren van prestaties, net als bij sport. Zeker een drijfveer die óók op publieke steun kan rekenen. Maar weer: het is niet voldoende. Bush gaf het zelf al aan, drijfveer drie: not for knowledge alone, but knowledge in order to do. Dus: algemene nuttigheid, gebruik van kennis.

Zijn de twee eerste drijfveren, nieuwsgierigheid en pionieren, zo oud als de mens, de derde vindt zijn wortels in het opkomende nieuwe, Westeuropese denken van de zestiende eeuw. Francis Bacon (1561-1626), de geestelijke vader van 'Kennis is Macht', beschreef hoe de ontdekte (en nog te ontdekken) natuurwetten gemanipuleerd kunnen worden met instrumenten en apparaten. Getemde natuur als werkpaard voor de mens. En zo geschiedde. Uw televisie, auto, noem maar op, zijn niets anders dan apparaten waardoor natuurwetten slim gebruikt worden. En dat is technologie.

Wetenschap is bruikbaar, en dat levert een vanzelfsprekend argument voor financiering uit publieke en private middelen. Sterker nog, het is volstrekt onvermijdelijk geworden, de hele moderne technologische samenleving staat of valt bij wetenschap. Maar toch, ook dát is nog steeds geen reden voor ruimhartige ondersteuning van de wetenschap. Veel technologie kan per slot van rekening uit de voeten met reeds bestaande kennis.

De vierde, en politiek belangrijkste drijfveer, wordt gevormd door de directe voordelen van wetenschapsbeoefening. Aanpak, oplossing voor dit of dat specifieke probleem, nú. Dat is wat ongeveer onder strategisch onderzoek verstaan wordt. Desnoods mag het praktische doel nog wat breder zijn, en de termijn wat langer.

De kern van het conflict tussen wetenschap en politiek is dat bovengenoemde vier drijfveren genoemd zijn in de volgorde van politiek belang. Voor wetenschapsbeoefenaren is de rangorde net omgekeerd. Lange tijd waren zij in staat de politici te laten geloven dat hun belangrijkste drijfveren (nieuwsgierigheid en pionieren) de twee andere (algemene bruikbaarheid en directe, specifieke toepassing) als rijpe vruchten zouden opleveren.

Volgens Schmitt is dit deels gelukt. Maar hij constateert tevens dat politici - en het grote publiek - de hedendaagse maatschappij, vooral de Amerikaanse, geteisterd zien door urgente problemen: toename van zieken en daklozen, infrastructureel verval, verloedering van geestelijk en natuurlijk milieu, zware misdaad, drugs. De wetenschap zal meer moeten doen, wil ze op het zelfde niveau als voorheen gefinancieerd blijven.

Om hoeveel geld gaat het? Sinds het midden van de jaren tachtig is in de VS de groei van de hoeveelheid middelen voor industriëel onderzoek en ontwikkeling ('R&D') sterk teruggelopen (let wel, teruggang van de groei; in Nederland is het veel erger, bij ons te lande is sprake van regelrechte achteruitgang).

Daarnaast is er de vermindering van defensie-R&D. Zestig procent van de Amerikaanse federale middelen voor R&D gaat nu nog naar defensie, ca 75 miljard dollar. De industrie besteedde tot voor kort ongeveer hetzelfde bedrag aan defensie R&D.

President Clinton gaat tien procent van de federale defensie-R&D naar civiele R&D ombuigen. Zo'n tweeënhalf miljard is al in programma's vastgelegd. Vijf miljard dollar is nog 'over'. En voor dit bedrag zullen de wetenschappers het veelbesproken stategisch belangrijk werk moeten verrichten. Kunnen ze dat wel?

'Strategisch zijn' is immers de vierde en laatste drijfveer van de wetenschapper. Het valt best mee! De groei van het academische wetenschappelijk werk hier, in Europa, en in de VS wordt al meer dan tien jaar vooral door extern gefinancierd, 'contract'-onderzoek veroorzaakt. Onderzoek voor overheid en industrie speelt daarbij een belangrijke rol. Een groot deel van dit werk betreft precies de problemen die door de politici voortdurend genoemd worden: bestrijding van ziekten, aanpak van chemische vervuiling, meer inzicht in menselijk gedrag. De industrie financiert ongetwijfeld ook onderzoek om jong talen te recruteren. Maar gezien de opmerkelijke recente groei van publikaties gebaseerd op samenwerking tussen universiteiten en industrie gaat het wel degelijk ook om concrete R&D van industrieel belang.

Toch is het niet voldoende, de problemen worden te groot. Is er een andere aanpak mogelijk? Zeker. In de jaren zestig en zeventig was het in kringen van wereldverbeteraars de gewoonte om slechts één vraag aan de wetenschapsbeoefenaar te stellen: Wat is de maatschappelijke relevantie van je werk? Tja, zeiden de meeste geleerden. Een interessante vraag. En gingen gewoon door met hun werk (dat, zoals we zagen, door algemeen maatschappelijke ontwikkelingen tòch allengs steeds probleem-gerichter werd).

Laten we nu de vraag van de wereldverbeteraars omdraaien: Wat is de wetenschappelijke relevantie van je maatschappelijke probleem? Deze inversie betekent dat onderzoekers zich met die drijfveren die hun het beste liggen - nieuwsgierigheid en pionierszin - kunnen laten inspireren door maatschappelijke noden en problemen. Het zal blijken dat die noden en problemen ook - en juist - in wetenschappelijke zin uitdagend zijn.

Congreslid Brown maakt duidelijk hoe politiek en wetenschap in zo'n nieuw maatschappelijk contract met elkaar omgaan: Natuurlijk ga ik de biomedicus niet vertellen welke experimenten hij of zij moet doen. Maar ik zeg wel duidelijk dat verschuiving van genezen naar preventie een voornaam nationaal en internationaal doel is.

Sociale en economische doelen zijn geen hinderpaal voor de wetenschap. De praktische en vaak grote problemen van onze samenleving kunnen zeker zo'n rijke bron aan inspiratie leveren als typisch wetenschappelijke problemen. Het denken over zo'n nieuwe inspiratiebron kost tijd.

En dat is het grootste probleem. Onze tijd wordt verspeeld in een eindeloze stroom van beleid en bureaucratie. Hoogleraren besteden onaanvaardbaar grote delen van hun tijd in eindeloos gedoe rond onderzoekscholen, 'verdelingsmodellen', vaststellen van kwaliteit of het ontbreken daarvan, 'profileren' van faculteiten, het in twintigvoud (jazeker!) inleveren van 'continueringsaanvragen' van onderzoek dat nog geen jaar loopt, enzovoorts, enzovoorts.

We zitten met een verkrampte overheid die weigert de huidige universitaire bestuursstructuur op te ruimen en te vervangen door een krachtdadiger structuur. Een overheid die niets leert van internationale ontwikkelingen en door voortdurende vermindering van R&D middelen de toekomst van het eigen land ruïneert (mogen we daar nog over praten?). Een minister die zo buitengewoon onverstandig is om veel geld van grote, goed presterende universiteiten af te pakken (30 miljoen per jaar!) ten gunste van kleinere die evident minder kwaliteit in huis hebben. Een katastrofale wachtgeldregeling voor iedereen die ook maar even aan een promotieonderzoek gewerkt heeft. En nog steeds veel te veel zonder competitie automatisch naar de universiteit, anders gezegd: een veel te kleine tweede geldstroom. Al deze zaken verzieken het universitair klimaat, vreten tijd weg, en leveren veel geld op veel verkeerde plaatsen.

Zolang de overheid niet doet wat ze behoort te doen: de geleerden eindelijk gelegenheid te geven het werk uit te voeren waar ze primair voor aangesteld zijn, zal Nederland het laatste land worden met het nieuwe contract tussen maatschappij en wetenschap. Maar dan hoeft het niet meer. Misschien dat een bevriend land ons nog wil koloniseren en voorzien van brood. En 's winters erwtensoep.