De Noordhoek

Texel, ons jaarlijkse portie tapuiten, kluten, bergeenden en lepelaars. Een velduil toe.

We liepen langs het Eierlandse gat. Bekend traject, met deze plek zijn we zo ongeveer getrouwd. Het waaide hard en rond de noordhoek van het eiland waren dwergsterns aan het werk. Met scherpe witte vleugels ploegden ze de lucht. Nauwkeurig volgden ze de golfbeweging langs het strand.

Dit vliegen was van wat ze deden maar de helft. De rest bestond vooral uit kijken. Ze kijken niet vooruit, ze kijken onder zich, de nek gespannen en de gele snavel haaks omlaag.

Soms leidt dat kijken tot een duik - dan óf een noodstop, onverrichter zake weer omhoog, óf werkelijk het water in, zodat het opspat rond de opgestoken vleugeltjes.

Soms leidt dit duiken tot een vangst. Dan bungelde een kleinigheidje aan de snavelpunt. Met rugwind joeg zo'n sterntje naar het zuiden toe. Daar broedden ze, daar zat een nietig jong, daar moest dat kleinigheidje heen. Tweeduizend meter naar een hoopje schelpen op een zandbank, en onherroepelijk dezelfde meters ook weer terug, weer aan het werk.

Het waren er een stuk of zes.

Het regende.

De wind.

Zo klein, zo broos, zo onnadenkend en zo toegewijd.