De lijkkist van Heqata

Wat staat er op een Egyptische lijkkist? De precieze beschrijving van alle teksten op een enkele kist vormde jaren het werk van een promovendus. 'Er staan allemaal mannetjes op. Maar wat die nou aan het doen zijn, was me een raadsel.'

'Rust zacht' was voor de oude Egyptenaren niet weggelegd. Naar hun idee was het leven na de dood niet zomaar een eeuwig leven, maar een eindeloos terugkerende herlevingscyclus. Volgens het oud-Egyptische geloof blijft de overledene in het hiernamaals eindeloos doorgaan met het uitvoeren van begrafenisrituelen, waarmee hij zijn dode vader Osiris, god van de Dood, steeds opnieuw tot leven wekt. Op zijn beurt kan de herrezen godheid als wederdienst opdracht geven om de dode door een rite weer de levensadem in te blazen. Deze herlevingscyclus herhaalt zich iedere nacht, deels met dezelfde begrafenisrituelen die de familie van de overledene uitvoert.

Deze nieuwe kijk op de religie van de oude Egyptenaren verwoordt de Leidse Egyptoloog dr. Harko Willems (38) in het lijvige proefschrift 'De lijkkist van Heqata' waarop hij vandaag in Groningen promoveert.

Alleen al het corrigeren van de drukproeven met al die curieuze kriebelige tekentjes kostte Willems bijna een half jaar. Met het beschrijven van de kist zelf was hij zo'n zeven jaar zoet. “Hij is gevonden in het zuiden, in Assoean, in een graf met zeven kamers. Het graf van Heqata lag onopvallend onder een andere grafkamer en is daardoor als enige niet leeggeroofd. Er zijn wat potten aangetroffen, wandelstokken en enkele pijlen - veel kun je daar niet uit afleiden”, aldus Willems. “Waar de mummie gebleven is, is een raadsel. Maar ik ben nu het dagboek op het spoor van een adellijke Engelse dame, die het graf in 1902 of 1903 gevonden heeft.”

Bovenmodaal

De kist zelf is niet het bekende type mensvormige sarcofaag, maar gewoon een grote houten schoenendoos. Zo zijn er uit de periode van het Middenrijk (2000 tot 1700 v. Chr.) zo'n driehonderd gevonden. “Niet uit koningsgraven, dikke lagen goud ontbreken,” zegt Willems. “Maar om je zo'n kist te kunnen veroorloven moest je zeker tot de bovenmodale klasse behoren, bijvoorbeeld als hogere ambtenaar.”

De buitenkant is sober, alleen beschilderd met een regeltje 'pure standaardtekst' en met de gebruikelijke twee ogen, waarmee de dode, die op zijn linkerzij ligt met de blik naar het oosten, kon kijken. De binnenkant van de kist staat boordevol tekst, op het deksel, op de planken en zelfs op de voegen. Duistere, diep-religieuze spreuken over het leven na de dood.

Begin deze eeuw zijn tal van zulke kisten in een soort Goldrush opgegraven en over de wereld verspreid. Daarna is de Leidse Egyptoloog De Buck, die in 1959 overleed, 35 jaar lang bezig geweest om al die Coffin Texts, de spreuken aan de binnenkant van de kist, weer op te sporen en uit te geven, zeven dikke boeken vol.

“Vaak vind je dezelfde spreuk meermalen terug, soms tweemaal, soms wel dertig maal”, aldus Willems. “De Buck heeft al die kopieën van teksten naast elkaar gezet. Heel handig, want een slecht leesbare versie komt soms puntgaaf terug op een andere kist. Daarmee zijn de teksten echter aan hun oorspronkelijke context ontrukt. Ze staan nu in een twintigste eeuwse ordening, die niets te maken heeft met wat men in de oudheid heeft bedacht, en de bijbehorende afbeeldingen ontbreken. Mijn uitgangspunt was precies andersom, ik heb geprobeerd om alle afbeeldingen en spreuken op één complete kist te bekijken. Wat er opstaat, en waar, en waarom.”

De meeste kisten zijn duidelijk aan een bepaalde vindplaats toe te schrijven, en daarbinnen vaak weer aan een bepaalde periode. Soms ook is op grond van het handschrift de 'huisstijl'' van een bepaalde werkplaats te herkennen.

Volgens de gangbare opvattingen bieden de Coffin Texts de overledene praktische kennis om zich te redden in het hiernamaals, dat uit de spreuken naar voren komt als een akelig, gevaarlijk gebied. Poortwachters en demonen laten de dode alleen maar langs als hij het juiste wachtwoord weet in mythologisch beladen vraag-en-antwoordspelletjes. “Wat is de naam van deze poort? Hoe heet deze drempel? Hoe heet deze bovendorpel?” enzovoorts. Blijft hij het antwoord schuldig, dan hoort de dode blijkbaar niet tot de rechtmatige ingezetenen van het dodenrijk. Zijn lippen worden afgebeten, hij wordt vastgebonden of zelfs verslonden. Hier dreigt wat de Egyptenaren noemen de 'tweede dood': dan ben je pas ècht dood en blijf je voorgoed in de onderwereld. De spreuken op de sarcofaag moeten de dode daarvoor behoeden door hem bij te staan op zijn reis en hem voor te bereiden op alle mogelijke gevaren en beproevingen.

Voortdurend op reis

Je kunt je afvragen hoe de Egyptenaren zich het 'gebruik' van de spreuken precies voorstelden. Terwijl de overledene door de onderwereld reist, staat de kist met de spreuken immers gewoon in de grafkelder. Willems: “Vergeleken met de Egyptenaren hebben Christenen een vrij simpele opvatting van de dood: Je lichaam verdwijnt en alleen je ziel blijft over. De Egyptenaren zien dat anders. Volgens hen blijft het gemummificeerde lichaam nodig als 'thuisbasis' van de ziel, die voortdurend op reis is en de spreuken daarbij als reisgidsen gebruikt. Daarbij is de ziel zelf voor de Egyptenaar niet één begrip, maar een dynamische bundeling van allerlei persoonlijkheidsaspecten die met het lichaam verbonden zijn. Zo is er de ba, voorgesteld als een vogel met een mensenkop. Hij kan rondreizen, omdat hij vliegen kan, en fungeert daarmee als intermediair tussen de dode in zijn grafkelder en bijvoorbeeld de offerruimte waar de familieleden op feestdagen offers brengen voor de overledene.”

Willems besloot één kist volledig te beschrijven en de teksten waar mogelijk te interpreteren. Hij koos de kist van Heqata. “Een opvallend lelijk exemplaar. Er staan allemaal mannetjes op. Maar wat die nou aan het doen zijn was me een raadsel, zoiets had ik niet eerder gezien.”

De originele kist staat in het Egyptisch Museum van Kairo. Willems reisde daar naar toe, maar kon de kist niet meer dan tien uur bestuderen. “Daarna vonden ze het wel mooi geweest. Het museum bezit zo'n 200.000 objecten en wordt overspoeld door Egyptologen uit de hele wereld. Zolang je in het magazijn zit, word je vergezeld door een paar conservatoren van het museum en al die tijd dat zij naast jou zitten, komen ze niet aan ander werk toe.” Een complete set afbeeldingen van de kist is gelukkig ook te vinden in het archief van De Buck bij de Rijksuniversiteit Leiden.

Uit het beschrijven van de decoraties van wand tot wand kwam geleidelijk een zekere samenhang naar voren. Naast de reis door het hiernamaals blijken begrafenisrituelen een overheersend thema te vormen op de kist.

Willems: “De formulering is sterk mythologisch en daardoor voor ons nogal ongrijpbaar, maar het draait in feite om de sociale relatie tussen vader en zoon. Nog steeds zie je in het Midden-Oosten een heel sterke relatie tussen de vader en zijn eerstgeboren zoon. Kernpunten in die relatie zijn ten eerste het verwekken van de zoon door zijn vader en ten tweede de dood van de vader, waarbij de zoon door begrafenisrituelen moet zorgen dat de overledene wordt 'voorbereid' om in het hiernamaals voort te leven. Dat is de eerste verantwoordelijkheid van de oudste zoon, als wederdienst nadat hij door zijn vader is verwekt. Dit thema staat in vele mythen centraal.”

De rituelen die op de kistwand worden beschreven draaien uiteindelijk om het zelfde thema, dat van vader en zoon.

Rituelen

Rituelen komen bijvoorbeeld aan de orde bij een afbeelding van een zalfpot, begeleid door een liturgische tekst over het gebruik van de zalf en de mythologische betekenis daarvan. Veel teksten hebben betrekking op het balsemen van de mummie. Het uit elkaar halen, drogen en inwikkelen van de mummie in de werkplaats is nogal smerig werk. Bij de begrafenis wordt dit handwerk op symbolische wijze overgedaan middels allerlei rituelen om de eenheid van het lichaam symbolisch te herstellen voordat de begrafenis plaatsvindt. Andere liturgische spreuken horen niet bij de begrafenis zelf, maar bij het aanbieden van offers door familieleden op feestdagen. Deze handelingen vernieuwen het effect van de mummificatie.

Tot de rituelen hoort het openen van de mond van de overledene. “De Egyptenaren zien die zaken nogal concreet voor zich”, aldus Willems. “Als je weer gaat leven, moet je weer kunnen ademen en kunnen eten en dus moet je mond worden geopend.”

Bij het Mondopeningsritueel wordt het gezicht ritueel gereinigd en gewassen met plantaardige geurstoffen. Hierbij hoort de spreuk 'Moge jouw hoofd gereinigd worden door Hapi (God van de Nijl). Mogen jouw ogen licht gemaakt worden door de god Doea-wer. Moge jouw mond geopend worden door Thoth met zijn bronzen beitel, waarmee hij de mond van de god Osiris geopend heeft, zodat deze zal kunnen spreken. Moge op dezelfde manier ook de mond van Heqata geopend worden, zodat hij kan spreken'.'' De godennamen in deze tekst symboliseren de priesters die de rituelen uitvoeren. Het woord 'beitel' staat in het Egyptisch tevens voor boek. Het is een woordspeling, want Thoth, de schutspatroon van de priesters, is de god van de wijsheid en van het schrift. Zo vind je in de teksten vaak woordspeling op woordspeling op woordspeling.

Plankgodinnen

Willems: “Interessant is, dat een deel van de decoratie niet gaat over werkelijk op aarde uitgevoerde riten, maar over rituelen in het hiernamaals.”

Een deel van de teksten blijken hymnen te zijn, gericht tot de wanden van de kist. Willems kwam tot de conclusie dat het in deze hymnen de overledene zelf is die spreekt. Hij richt zich tot de planken van de kist, die kennelijk staan voor godinnen, die de balsemingsgod Anubis assisteren bij het balsemen van Osiris, god van de Dood. Willems: “De overledene ïdentificeert zich hier met Osiris. De dode richt een verzoek aan de vergoddelijkte plank en vraagt om het uitvoeren van allerlei balsemingsrituelen, die hem tot nieuw leven wekken.”

In de tweede helft van de hymnen echter, als de dode tot nieuw leven gekomen is, identificeert hij zich niet langer met Osiris, maar met de balsemingsgod Anubis. Nu is het doel om de god Osiris, zijn archetypische vader, tot nieuw leven te wekken.''

Uit andere teksten blijkt, dat Osiris weer opdracht geeft aan de plankgodinnen om de overledene te balsemen. Daarmee is de herlevingscyclus rond: Osiris, de dode vader, geeft opdracht om de overledene te balsemen, die eenmaal herleefd, Osiris balsemt, en dit herhaalt zich eindeloos.

Willems: “De balseming moet niet alleen correct worden uitgevoerd, maar ook ingepast in de reis van de overledene door het hiernamaals. De spreuken omvatten dan ook een wonderlijke vermenging van rituelen en topografische informatie als 'reisgids' door de onderwereld met zijn poortwachters en demonen. Tot nog toe hebben alleen die topografische aspecten de nodige aandacht gehad.”

In de teksten op de kist van Heqata blijkt de reis door het hiernamaals met al zijn hindernissen een projectie te zijn van het op aarde uitgevoerde balsemingsritueel. In de aardse situatie moest de priester, alvorens de mummificatieruimte te betreden, een passageritueel ondergaan. De confrontatie met de demonen in het hiernamaals is ook zo'n passageritueel. Pas na het passeren van deze wezens mag de dode immers Osiris, zijn vader, balsemen.

Om er achter te komen of deze theorie algemeen geldig is, zou je niet één, maar tientallen doodskisten op dezelfde manier moeten beschrijven. Is Willems dat van plan? “Nou nee. Het was leuk hoor, heel intrigerend. Ik was gegrepen door het duistere horror-karakter van die teksten en het geeft bevrediging om dat te doorgronden. Maar zo is het wel mooi geweest.”