De kuil

Zé kwam vragen of er werk voor hem was. Om de grote aantallen Zé's uit elkaar te houden hebben ze hier allemaal een bijnaam. Je hebt de kleine Zé en de grote Zé, de langzame Zé en de snelle Zé, de doofstomme Zé en de rooie Zé.

Deze heette Zé Lento, de langzame Zé, een beetje vanwege zijn trage manier van aanpakken en een beetje vanwege zijn hersens.

Nee, er was geen werk.

Maar omdat hij zachtaardig was en vijf bloedjes van kinderen had (zo langzaam was hij ook weer niet) hadden we een dag of wat later een karwei voor hem verzonnen. Een nutteloos karwei en een karwei waar weinig kennis bij kwam kijken, echt iets voor Zé Lento dus.

Hij moest maar een kuil gaan graven in de tuin. Ooit, zo droomden we, wilden we daar iets van een theehuisje neerzetten en alvast een onderkeldering kon geen kwaad. Wat voor een huisje het precies zou gaan worden, geen idee, en wanneer het er ooit zou komen, God mocht het weten, maar een kuil bleef een kuil en een kuil liep niet weg.

Meteen de volgende ochtend stond Zé Lento paraat. Hij stak een spade in de grond en begon. Een mooiere zin om de droefheid aan te duiden van het mensenleven in het bijzonder en de heroïsche overbodigheid van de schepping in het algemeen kan ik niet bedenken. Hij stak een spade in de grond en begon.

Weken achtereen liep Zé Lento rondjes met zijn kruiwagen. Hij groef zich steeds dieper in en moest zich met elke volle lading opnieuw uit zijn kuil omhoog spiralen. Na vijf weken zagen we alleen zijn hoofd nog, na zes weken helemaal niets meer. Drie maanden groef hij door.

Geschrokken beseften we dat Zé Lento naar het middelpunt van de aarde zou graven als we niet ingrepen. Het was een kuil als een bomkrater, van tien meter doorsnede, en helemaal in de diepte groef Zé Lento, als een speldeknop.

Op een vrijdagavond moesten we hem smeken op te houden. Niet om hem uit zijn (letterlijke) tredmolen te redden, maar om ons zelf voor een te vrije verbinding met de onderwereld te behoeden. En voor welk reusachtig theehuisje moest dát de kruipholte worden?

Zé Lento keek treurig. Hij kon maar moeilijk begrijpen dat elk karwei een begin kent en een einde.

Een paar weken later bleek hij naar Duitsland vertrokken, aangenomen door een van de ronselaars hier die de cafés langsgaan om arbeidskrachten te werven voor bouwprojecten in het noorden. Het meeste geld steken ze in hun eigen zak. Soms zijn de sloebers die ze met veel te mooie beloften hebben weggelokt al maanden in het immer gastvrije Moffrika aan het werk voor ze doorkrijgen dat ze naar hun loon kunnen fluiten. Je hoort wel eens dat sommige buitenlanders Portugal koloniseren, maar onderling kunnen ze er ook iets van. Beter, en vooral harder.

Met Pasen was Zé Lento even terug.

Wat doe je? vroeg ik.

Nu, hij stuukte. Valse plafonnetjes. De hele dag door stuukte hij voor de Duitsers valse plafonnetjes. Ergens in de buurt van München. Hoe heette dat plaatsje ook alweer? Dachau, ja, zo heette het. Dachau. Het was er in elk geval erg winderig.

Volgde een heel verhaal over de rottige Duitsers die altijd wilden dat je iets overdeed als het niet helemaal naar hun zin was, terwijl je toch nauwelijks zag dat er iets aan mankeerde, maar ik was er met mijn hoofd niet echt meer bij. Ik zag in gedachten alleen nog die kuil voor me. Het was ineens een heel andere kuil geworden. Er moest maar snel iets bovenop gezet.