De kluis is open

Op 26 juni begint om 10u de 'Schaesbergergank'. De Heilige Mis in de open lucht wordt in het plaatselijk dialect opgedragen. Na afloop is er kermis. Opbrengst voor De Kluis. Geopend t/m 25 sept op zo 13-17u en in juli en aug ook ma t/m do 13-17u. Toegangsprijs ƒ 1,- voor De Kluis. Inl 04406-13364. Een excursie kost ƒ 35 plus ƒ 1 pp. Inl 04406-15285.

De Kluis noemen de Valkenburgers het witte kapelletje, dat van 1688 tot 1930 werd bewoond door eenzame boetvaardigen. In de richting van Gulpen schemert het op de top van de Schaesberg tussen het groen door, een herinnering aan de tijd dat Limburgers het katholieke geloof nog streng beleden. Als monument voor het traditionele katholicisme spreekt De Kluis tot de verbeelding. Vrijwilligers zetten zich in om het voor verval te behoeden - geen gemakkelijke opgave want het godshuis is opgetrokken uit zacht, kwetsbaar mergelsteen. Piet Roks, ex-beheerder van de ermitage, verzorgt wandeltochten en int van elke bezoeker een gulden entree voor de instandhouding van het bouwwerk. Roks luidt de noodklok. Tientallen roeken vliegen verschrikt op. “Op deze manier gaven de kluizenaars te kennen dat ze geen voedsel meer hadden. Als de Valkenburgers klokgelui hoorden, dat was vooral in de winter, dan kwamen ze iets brengen. Het was een behoorlijke klim, maar ze beschouwden het als hun plicht.” Mannen die besloten kluizenaar te worden, voelden veel sterker dan anderen dat ze boete moesten doen om het eeuwige zieleheil te verwerven. Een van hen sliep gedurende negentien jaar in een schommelstoel, die er nu nog staat. Een ander moest in 1905 De Kluis verlaten, verdacht van oplichting. Een uitzondering, zoals blijkt uit een kleine expositie. De eerste kluizenaars vereenzaamden volkomen, maar vanaf 1850 kregen ze meer en meer bezoek van toeristen. Valkenburg was toen al een bekend vakantie-oord en men vond het wel interessant zo'n zonderling te bezoeken. In 1930 besloot de bisschop dat er geen kluizenaars meer mochten wonen omdat er 'te veel toeristisch vrouwvolk' kwam. De kluizenaars vertoefden een groot deel van de dag in de kapel, waarin veertien in hout gevatte voorstellingen de binnenkruisweg vormen. In 1843 werd er in de tuin een buitenkruisweg gebouwd, in de vorm van veertien zuilen, zodat de kluizenaars hun religieuze verplichtingen ook buiten konden vervullen. Roks: “De doodskist onder de veertiende statie moest hen herinneren aan hun vergankelijkheid. In de Bijbel staat immers: 'tot stof zult gij wederkeren'.”