De almacht van het CDA

Wat er nu eigenlijk zo bijzonder is aan de paarse coalitie in wording begrijp ik nog steeds niet. Natuurlijk is het goed voor het CDA na de luide knal van de verkiezingsuitslag enige tijd de luwte van de oppositie op te zoeken, maar daar gaat het de informerenden niet om. De paarse regeerlust komt niet voort uit het verlangen het CDA een dienst te bewijzen, maar uit de pretentie hiermee de politiek zelve een dienst te bewijzen. De almacht van het CDA wordt doorbroken. Het bestel ontploft. Een tijdvak van politieke vernieuwing breekt aan.

“Eerst zien”, zei blinde Maupie.

Welke dienst de politiek hiermee bewezen wordt, is immers niet duidelijk. Wanneer het de purpergezinden erom ging nu eens eindelijk de vermaarde 'immateriële' punten (abortus, euthanasie, gelijke behandeling) naar hun smaak en inzicht te regelen, dan kon men dat begrijpen. Maar dat gebeurt helemaal niet. Die punten blijven buiten discussie. Het gaat, zoals immer, over werkgelegenheid, lastenverlichting, overheidstekort, modaal, minimaal en dergelijke. Nieuwe problemen of ideeën zijn nergens te ontdekken. Het summum van politieke vernieuwing blijkt nu te zijn dat er een regering komt zonder oppositie. Wat zou het rechts-centrum linkse CDA immers tegen een links-centrum-rechts kabinet kunnen hebben? Wat de paarse coalitie ons in feite brengt, is een nationaal kabinet, dat niet zo mag heten. Tijdens de verkiezingstijd was iedereen hier nog tegen, maar nu is dit opeens iets heel moois en nieuws.

De enige logica die in het huidige scenario valt te ontdekken, is dat de drie andere partijen het wenselijk vinden dat het CDA niet in de regering komt, ongeacht wat die regering wil. Wat de betrokkenen kennelijk motiveert, is afkeer van wat zij zien als de macht of zelfs de almacht van het CDA. Maar die almacht heeft nooit bestaan, omdat er, sinds het CDA bestaat, altijd coalities nodig zijn geweest om een regering te vormen. En wat het huidige CDA betreft, is zelfs van màcht nauwelijks meer sprake, omdat elke regeringspartij in een minderheidspositie ten opzichte van de twee andere zal verkeren.

De argumenten voor een paarse coalitie zijn dus door de verkiezingsuitslag zelf al achterhaald. Het is echter duidelijk dat het hier niet gaat om rationele argumenten maar om een demonstratie van mauvaise humeur. Zelfs intelligente politici hebben zo vaak geroepen dat de confessionelen in Nederland al langer aan de macht zijn dan de Communistische Partij in de Sovjet-Unie dat ze er uiteindelijk zelf in zijn gaan geloven. Die vergelijking is echter om allerlei redenen absurd.

Het is waar dat de confessionelen sinds 1888 vaak en vanaf 1918 altijd in de regering hebben gezeten. Het is ook waar dat dat een hele tijd is. Maar de confessionelen vormden tot voor kort niet één partij. Dat zijn ze pas onlangs geworden. De ARP'ers en de CHU'ers, voor de katholieken misschien één pot nat, vonden zelf hun onderlinge verschillen veel interessanter. Katholieken en protestanten waren in vele opzichten zelfs water en vuur. Dat deze bloedgroepen ook nu nog een grote rol spelen, blijkt wel uit het electorale echec van Brinkman. De katholieke kiezers, met name in het zuiden, hebben zich kennelijk niet in hem herkend. (Dat katholieke CDA'ers als Van Agt en Lubbers daarentegen de protestantse kiezers wel hebben aangetrokken, is een interessant verschijnsel dat om een verklaring vraagt.) Overigens waren het niet de confessionele partijen die aan de macht waren, maar hun politieke leiders in het parlement. Van een hechte partijorganisatie, laat staan van iets dat lijkt op een partijapparaat zoals in de Sovjet-Unie, was en is geen sprake.

Tijdens het interbellum regeerden de confessionelen doorgaans alleen, maar na de oorlog zijn er altijd coalitie-kabinetten geweest, vaak met een zeer sterke inbreng van andere partijen. Per slot van rekening hebben we eerst tien jaar lang diverse kabinetten-Drees en later ook nog één kabinet-Den Uyl gehad. Noch onder Drees noch onder Den Uyl waren de confessionelen aan de macht. De socialisten overigens ook niet. Beide waren afhankelijk van hun coalitiepartners. In Nederland is geen enkele partij aan de macht, laat staan almachtig en dat geldt ook voor de confessionelen. Zij deelden de macht met anderen en het is zeer de vraag of zij dat met tegenzin deden. Er bestond immers tot 1963 een, zij het kleine, confessionele meerderheid in de Kamer. Het delen van die macht, het zoeken naar een breed draagvlak, was dus puur getalsmatig niet nodig. Het berustte op een streven naar consensus en harmonie, dat tot op zekere hoogte karakteristiek is voor de confessionele, althans de katholieke, denktrant.

Het belangrijkste bezwaar tegen een dergelijke vergelijking is echter het begrip macht zelf. In Nederland is niemand 'aan de macht'. Er zijn tientallen organisaties op sociaal, economisch en cultureel gebied die alle een stukje macht bezitten. Daarnaast is er de politiek. De politieke sector is de laatste halve eeuw steeds belangrijker geworden. Het terrein van de politiek heeft zich sterk uitgebreid. Maar iets dat ook maar in de verste verte lijkt op de vormen van staatsmacht die in de Sovjet-Unie bestonden, heeft in Nederland nooit bestaan. Laat staan dat die staatsmacht dan weer exclusief in handen zou zijn van één partij en die partij op haar beurt gecontroleerd zou worden door een of enkele dictatoren.

Hoe onzinnig de vergelijking is, kan op simpele wijze worden aangetoond. Wie beweert dat in Nederland de confessionelen ruim zeventig jaar aan de macht zijn geweest, op een wijze die vergelijkbaar is met de Communistische Partij in de Sovjet-Unie, moet, net als in de Sovjet-Unie, de verantwoordelijkheid voor wat er in die zeventig jaar is gebeurd toekennen aan de partij die aan de macht was. Welnu, terwijl de Sovjet-Unie in die zeventig jaar een dictatuur werd die uiteindelijk aan haar eigen incompetentie tenonderging, ontwikkelde Nederland zich tot een welvarend land en een sociaal paradijs. Wie de these verdedigt van de grote macht van de confessionelen, moet logischerwijs dus tot de conclusie komen dat wij hun op onze blote knieën moeten bedanken. Wie gelooft in hun almacht moet inderdaad, zoals ik in een vorige column schreef, tot de conclusie komen dat we zelfs de groei van de oogst en de vermenigvuldiging van de visvangst aan hen te danken hebben. Maar dat gelooft natuurlijk niemand en daarom is het verbazingwekkend dat zelfs serieuze journalisten en intelligente essayisten hier serieus op in gingen in plaats van de voor de hand liggende conclusie te trekken, dat het met de macht van de confessionelen nogal meevalt.

Het is, kortom, van tweeën een. Of men gelooft in de almacht van de confessionelen en dan moet men ook erkennen dat wij al onze zegeningen aan hen te danken hebben. Of men gelooft dat niet, maar dan is er ook geen reden om een regeringscoalitie te baseren op geen ander beginsel dan het verlangen de confessionelen van de regeermacht uit te sluiten en geen ander argument dan dat ze al zo lang 'aan de macht' zijn.