Ageren

Veel last van seksediscriminatie heb ik nooit gehad, maar wel een tijdlang van een andere vorm van machtsongelijkheid, toen ik als socioloog bij psychiaters werkte. Ik had een vrij autonome opvatting van mijn beroep: om kritisch en van een afstand te bekijken hoe het toeging en hoe het zo gekomen was, maar mijn bazen waren daar niet erg van gediend. Sociale wetenschappers zagen zij als bedienend personeel, als toeleveraars van de gevraagde cijfers en als technische ondersteuning bij hun pogingen tot onderzoek. Ik kan daar nu iets meer begrip voor opbrengen, maar toen vond ik dat een vernederende devaluatie. Ik kon me daar slecht in vinden, had te weinig talent voor ondergeschiktheid, zag dat mijn collega's sociale wetenschappen cynisch of depressief werden, en besloot voor het zover was op te stappen. Ik geloof dat dit ook aan de andere kant als opluchting werd ervaren, omdat mijn gedrag als ageren werd beschouwd. Dat vond ik weer zo'n typisch voorbeeld van de psychologische duiding als machtswapen - het klinkt alsof er iets goed mis met je is, terwijl het neerkomt op gedrag dat een meerdere niet bevalt.

Dat laatste kwam weer eens prettig helder terug toen ik het vrijdag jongstleden verdedigde proefschrift las van de psychiater/psychoanalytica Adeline van Waning over ageren, met de passende titel Geen woorden maar daden. (Amsterdam: Thesis Publishers 1994). Het geeft een zeer degelijk en toch leesbaar overzicht van de manier waarop het begrip in de psychoanalyse gebruikt wordt. De betekenis blijkt overwegend negatief: ageren wordt vooral gezien als poging om een juist maar als te pijnlijk ervaren inzicht te vermijden, of als hinderlijk doen in plaats van wijselijk overdenken. Maar in het boek zijn op tal van momenten aanzetten te vinden die tot een positievere waardering zouden kunnen leiden, zoals de stelling dat ageren ook gezien kan worden als onthulling in codevorm. Hier wordt de last bij de therapeut gelegd - als hij zijn vak verstaat, kan hij de code kraken - en niet als een tekort van de patiënt gezien, die doet in plaats van denkt en moet leren op de passende manier te reflecteren en verbaliseren. Wie hier moet leren is de therapeut - hij moet beter leren decoderen - en niet de patiënt die een beschaafdere taal zou moeten leren spreken.

Het boek riep niet alleen herinneringen op aan mijn eigen psychiatrisch verleden - als socioloog onder de psychiaters - maar ook aan inmiddels lang vervlogen discussies uit de jaren zeventig. Waren mensen uit lagere klassen ongeschikt voor psychotherapie omdat de talen niet aansloten en het vaak een aaneenschakeling werd van droef stemmende misverstanden, of moesten therapeuten dan maar leren om beter te luisteren? Of algemener gesteld: wie moest zich aan wie aanpassen en wie had de macht om te stellen dat de ander ongeschikt was, lastig of onaangepast, en derhalve leven en gedrag moest beteren? De kritische psychiatrie ging hierover; en tripte door tot het standpunt dat de patiënt om zijn regelovertredend gedrag juist geprezen moest worden. Wij konden leren van patiënten, in plaats van omgekeerd, maar deze gedachte sloeg aan geen van beide kanten echt aan. Ook andere regelovertreders, waar sociologie en criminologie zich aan wijdden, werden in een ander en zonniger daglicht gesteld. De Lof der onaangepastheid van Milikovski uit 1967 beleefde vele herdrukken.

Het is nu onmiskenbaar een ander tijdperk, waarin het gaat over andere dingen: over moraal en sancties, en over het beschermen van burgers en samenleving tegen last en overtreding. Maar hier, verhuld als degelijk proefschrift, verschijnt een boek dat te lezen valt als een herwaardering van ageren. Niet dat de auteur het zo noemt, maar zo valt het te duiden. En nader uit te werken, ook in sociologische zin.

Want de behoefte aan onaangepastheid is niet minder groot geworden dan in de jaren zestig. Eerder sterker, nu de lastige luizen in de pels van toen zelf in snel tempo de nieuwe machthebbers zijn geworden. Soms in een vrij abrupte gedaanteverwisseling, alsof het om andere mensen gaat die niet meer bij hun verleden horen. Toch valt er bij nader inzien bij hen wel een constante te zien, en dat is de gedachte dat de wereld te vormen valt naar hun schema's en blauwdrukken. Dat maakt de noodzaak van ageren natuurlijk nog groter.