Van Nederlands Nieuw Guinea naar Irian Jaya

ROTTERDAM, 22 JUNI. Eind december 1949. Door de Leidsestraat in Amsterdam rijden auto's richting de Dam. Twee Amsterdammers kijken. Een neemt zijn hoed af. De ander zegt: “Neemt u de hoed af voor die lui?” Die lui - dat waren de leden van de Indonesische delegatie.

In het Paleis op de Dam werd op 27 december 1949 door Juliana de akte van souvereiniteitsoverdracht over Indonesie getekend. Nederlands Nieuw Guinea was om een aantal redenen buiten de souvereiniteisoverdracht gehouden. Nieuw Guinea, zo werd gezegd, behoorde etnografisch niet bij Indonesie. “De bevolking bestaat uit Papoea's die naar ras evenzeer verschillen van de Maleiers als Chinezen van Argentijnen”, zei de toenmalige minister van buitenlandse zaken Luns in 1961 tegen een verslaggever van de Amerikaanse krant U.S. and World Report. Ten tweede had de bevolking recht op zelfbeschikking. De Papoea's moesten zelf kunnen beslissen of zij deel van Indonesie wilden uitmaken. “De derde reden is dat de bevolking van het gebied in een achtergebleven beschavingsstadium verkeert en de hulp nodig heeft die Nederland haar kan geven,” aldus Luns in hetzelfde vraaggesprek.

Het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea-bevolking werd in de jaren '50 keer op keer benadrukt. Zij moest in de gelegenheid worden gesteld om over hun eigen toekomst te beslissen. Zolang dat niet was gebeurd moest het gezag over Nieuw Guinea bij Nederland blijven. Om verzekerd te zijn van Amerikaanse steun voor het Nederlandse beleid, moest het ministerie van buitenlandse zaken het doen voorkomen dat door dit beleid het communisme werd ingedamd en Zuidoost-Azie werd gevrijwaard voor 'anti-Westersche' politiek, aldus prof. J. Bank in zijn proefschrift 'Katholieken en de Indonesische revolutie.'

Gedurende lange jaren werd het gezag over “moerassen, rotsen en malaria” zoals ondernemend Nederland Nieuw Guinea betitelde, met een politie-apparaat en een leger bestuursambtenaren veiliggesteld. Missie en zending droegen op hun manier bij aan de ontwikkeling van de bevolking. Over het gebied verspreid waren Nederlandse bestuursambtenaren in touw om de Papoea's voor te bereiden op hun bestuurlijke zelfstandigheid. De ambtenaren moesten immense gebieden 'pacificeren'. Moeilijk toegankelijke gebieden met een weinig toeschietelijke bevolking, was de ervaring van de jonge bestuursambtenaar C. Schneider die onder het pseudoniem F. Springer zijn wederwaardigheden in Nieuw Guinea te boek heeft gesteld.

In zijn boek 'Zaken overzee' beschrijft hij hoe hij “kriskras door het bergland” op tournee ging, stammenoorlogen beslechtte, op zoek ging naar vrouwendieven en door Amerikaanse zendelingen werd gesmeekt de achtervolging in te zetten tegen de beruchte Ukumkarok die een gevaar zou vormen voor de veiligheid van de blanken in de Baliemvallei, die nog maar kort onder onder Nederlands bestuur stond. De bewoners van deze vallei, Dani's, stonden wantrouwig tegenover de Nederlandse bestuursambtenaren.

Begin jaren '60 begon Indonesie met een militaire infiltratie in Nieuw Guinea. Zij protesteerde hiermee tegen de weigering van opeenvolgende Nederlandse kabinetten om met Indonesie tot overeenstemming te komen. Zo had in 1959 De Quay, in zijn hoedanigheid van minister-president, onomwonden verklaard dat zijn kabinet niet bereid was uberhaupt te onderhandelen over souvereiniteitsoverdracht.

Het kabinet verkeerde in de veronderstelling dat als het tot een militair treffen met Indonesie zou komen, Amerika aan de kant van Nederland zou staan. Luns zei dat hij dat zelf van Amerikaanse zijde had vernomen terwijl De Quay terzake gerust was gesteld door de Amerikaanse ambassadeur in Nederland. Met de komst van de regering Kennedy, in 1961, keerde het tij. Intussen bleven de Indonesische infiltraties doorgaan, reden voor de VS zich intensiever met de 'Nieuw Guinea-kwestie' bezig te houden. Robert Kennedy bezocht begin '62 Jakarta en liet merken gevoelig te zijn voor het Indonesische standpunt dat het gezag over Nieuw Guinea niet bij Nederland diende te berusten. Tijdens zijn bezoek aan Nederland maakte Robert Kennedy vervolgens duidelijk dat Amerikaanse steun bij een eventueel militair conflict zou uitblijven.

Begin april 1962 overhandigde de nieuwe Amerikaanse ambassadeur, Rice, aan De Quay een brief van de Amerikaanse president die voorstelde Nieuw Guinea indirect over te dragen aan Indonesie. Op 1 oktober 1962 droeg Nederland het gebied over aan de Verenigde Naties. Het jaar daarop wapperde overal in Irian Jaya, het voormalige Nederlands Nieuw Guinea de Indonesische vlag.