Spoken temmen

Wat heeft procureur-generaal Ralph Gonsalves vierendertig jaar geleden op Nieuw-Guinea gedaan? Wat is daar toen van bekend geworden? Wie heeft die kwestie destijds onderzocht? Wie zijn toen tot de conclusie gekomen dat hem in rechte niets te verwijten viel? Wie hebben besloten hem koninklijk te onderscheiden en op welke gronden? Waarom hebben sommigen die het toen kennelijk gunstig oordeel niet deelden zolang met opgekropt gemoed rondgelopen? Hoe komt het dat dit geheel van kennelijk nu als mysterieus herkende omstandigheden opnieuw 'in de publiciteit is gebracht' en wat zijn de 'onthullingen'?

Als minister Kosto op al deze vragen die stuk voor stuk terzake doen, serieus zou willen antwoorden, zou hij op zijn minst een beknopte geschiedenis moeten schrijven van wat in het Nederlandse spraakgebruik nog altijd 'de kwestie Nieuw-Guinea' heet. Ik weet niet voldoende van de heer Gonsalves, zijn staat van dienst in Nieuw-Guinea en de reputatie die hij zich daarna als jurist in Nederland heeft verworven om een mening te hebben over zijn persoon. Ik heb de afgelopen dagen gelezen dat hij een bijnaam had, dat hij een 'ambitieus man' was, 'bikkelhard' met een reputatie van 'grote daadkracht', maar 'niet sympathiek' en dat eergisteren al 'zijn opstappen een kwestie van uren' zou zijn.

In het boek Ons laatste oorlogje van John Jansen van Galen, die Gonsalves daarvoor uitvoerig heeft gesproken, wordt er geen geheim van gemaakt dat er in 1960 schietpartijen zijn geweest die Papoea's het leven hebben gekost. Dat is tien jaar geleden. De publikatie van dit boek is een jaar vertraagd omdat het Rijksarchief dat zijn medewerking had verleend, bepaalde bezwaren maakte. Nadat het was verschenen werd niemands nieuwgierigheid naar Gonsalves verder geprikkeld. Is het vreemd, te veronderstellen dat er sindsdien iets aan de 'zaak' is toegevoegd, dat bijzondere extra waardoor kennelijk nu het vuur op hem wordt geopend?

Gesteld dat de heer Gonsalves ten onrechte carriere zou hebben gemaakt, dan is daarvoor de grondslag gelegd door degenen die hem toen niet hebben bestraft. Waarom hebben ze dat niet gedaan? Misschien omdat ze vonden dat er voldoende verzachtende omstandigheden waren, of omdat op grond van politieke overwegingen een rechtszaak niet opportuun werd geacht, of omdat ze van mening waren dat de doofpot de beste zekerheid bood. Hoe dat ook zij: die manier van handelen - dit complex dat dertig jaar later ontrafeld zou moeten worden - is toen bekroond met een onderscheiding voor de heer Gonsalves. Daarmee zouden degenen die toen daarvoor de verantwoordelijkheid hadden gedragen nu even laakbaar zijn als hun beschermeling. En ook op mr. C. von Meyenfeldt, kantonrechter in Amsterdam wiens oom zich destijds door Gonsalves benadeeld voelde (volgens Het Parool van gisteren), valt dan wel iets aan te merken: want waarom heeft hij 'hooglijk verbaasd' als hij was, in 1986 toen Gonsalves tot procureur-generaal werd benoemd, niet alles eruit gegooid maar nog acht jaar zwijgend toegekeken terwijl daar in Den Bosch voorspoedig de maatschappelijke ladder werd beklommen?

Dat alles zou de verantwoordelijken kunnen worden verweten als ze meer zouden weten, maar om wat voor redenen ook hun mond hielden. In het andere geval: als er niets wordt onthuld dat wezenlijk afwijkt van wat in 1984 is gepubliceerd en verder niets 'bewezen', dan is deze storm van publiciteit een schervengericht. Dan is er een andere 'zaak-Gonsalves' ontstaan waarop we misschien 'de ethiek van de pers' zoals die door de heer Piet Hagen wordt voorgestaan kunnen proberen, als ik hem goed heb begrepen. (Zie zijn repliek op pagina 8 in deze krant van gisteren). Het zou wel een monnikenwerk zijn, dat complex - de daden en maatstaven van toen, en de beoordeling daarvan met de maatstaven van nu, een gebeurtenis geisoleerd, binnen de cirkel van de microscoop - te beschrijven, maar wie weet, als het lukt kan het als demonstratiemodel dienen. Ik betwijfel het.

Intussen is in deze 'zaak-Gonsalves' nog iets anders aan de orde. Het gaat niet alleen om de reputatie van afzonderlijke personen, maar zoals ook in de regelmatig terugkerende kwestie van 'de oorlogsmisdaden in Indonesie', om een historisch geheel waarvan collectieve verantwoordelijkheid, de voorwaarden van tijd en plaats, de internationale context en nog veel meer niet kunnen worden uitgesloten. De vier jaar die het Nederland heeft gekost om zich althans feitelijk van Indonesie te bevrijden, blijken in psychologische zin nog altijd problemen op te leveren. Een van de oorzaken daarvan is dat de Nederlandse geschiedschrijving die periode niet meer dan fragmentarisch heeft behandeld. In sterkere mate is dat het geval met Nieuw-Guinea. Aan dat onderwerp is de wetenschap nog niet toegekomen. Paul van 't Veer (journalist), John Jansen van Galen (journalist), F.J.F.M. Duynstee (jurist), Aad Nuis (politicus), Ronald Gase (wiskundige) en J.G. de Beus (diplomaat), hebben er in boekvorm het een en ander over gepubliceerd. C. Smit, de enige historicus, bepaalt zich in zijn De liquidatie van een imperium tot een hoofdstuk - geen wonder want zijn boek is verschenen in 1962.

Vormt de 'zaak-Gonsalves' de inleiding tot de herontdekking van het volgend hoofdstuk in ons onverwerkt verleden? Dan is het niet uitgesloten dat de 'kwestie' Nieuw-Guinea dezelfde rol gaat spelen als de 'kwestie' Indonesie. Bij gebrek aan een grondige en systematische geschiedschrijving staan we opnieuw voor een soort Wilde Westen van het nationaal verleden waarin de geschiedenis ieder ogenblik kan worden gebruikt tegen het doelwit van de dag.

Dat ligt in de aard van de publiciteit die ik overigens niet graag aan ethische regels zou willen binden, al was het maar omdat op die manier het kind met het badwater overboord gaat. Het gaat eerder om de belangstelling en de ijver van de Nederlandse historici die blijkbaar niet zien hoeveel mooi, interessant en nuttig werk er bij de exploratie van het nabije verleden ligt te wachten.kop,tm,36,22p08,m